Tekenen als nooduitgang. Jaar van Arpaïs Du Bois zet zich voort in Gallery FIFTY ONE en Artcurial

Haar tentoonstelling in De Garage in Mechelen is bijna afgelopen (finissage + signeersessie op zondag 25 november). Maar geen nood voor wie het werk van Arpaïs Du Bois graag eens van dichtbij wil zien. Op 1 december opent in Gallery Fifty One al de volgende opstelling van haar werk, en in januari volgt ‘Suite’ bij Artcurial in Brussel.

We kwamen het werk van Arpaïs Du Bois al tegen in Watou deze zomer, en ook op de tentoonstelling ‘Prikkels’ in het Museum Dr. Guislain hangen twee van haar werken. Toch hielden wij meer van haar tentoonstelling in De Garage. Daar kreeg ze de kans een coherent verhaal op te bouwen wat ervoor zorgt dat elk werk op zich aan betekenis wint.

Het is in deze tentoonstelling quasi onmogelijk om de werken van Arpaïs Du Bois te zien als op zichzelf staande entiteiten. Elk werk lijkt de aanzet tot de volgende, als je ze allemaal aan elkaar knoopt krijg je een mindmap met verschillende thematische draadjes die allemaal met elkaar verbonden zijn. Filosofische vlugschriften zou ik ze durven te noemen, want hoewel sommige critici haar werk enigmatisch vinden of gewag maken van getuigenissen uit het onderbewustzijn, lijken mij de boodschappen die ze geeft veellagig doch glashelder.

 

Een grote bekommernis om de planeet spreekt er uit haar woorden die in potlood haar tekeningen doorkrassen. Achter één zin schuilt vaak een hele wijsgerige gedachtegang. Zo verhult het werk ‘Nos pauvres combats’, wat ze zelf een ‘gebalde samenvatting’ noemt van haar oeuvre, veel meer dan slechts de vertaling ‘onze armzalige gevechten’. ‘Heeft onze strijd zin?’, ‘Is onze strijd terecht?’ en ‘Hoe ver kun je hierin gaan zonder jezelf te verliezen?’ zijn allemaal vragen die ze bij dit werk aanhaalt. “Het gaat over al onze hopeloze efforts om iets op een goed spoor te krijgen”, zegt Du Bois, “maar tegelijk vraag ik me af of een strijd aangaan wel een goed idee is, en of we die niet per definitie verliezen.”

Van daaruit is het makkelijk lijntjes leggen naar andere werken. Bijvoorbeeld naar ‘Pondre des oeufs de résistance dans la bourbe’, vertaald als ‘eieren van verzet leggen in het slijk’. Zinloze strijd, alweer, vruchteloos vechten tegen mistoestanden. In sommige werken legt ze zich hierbij neer, of dat probeert ze toch althans, zoals in ‘Paisiblement fumer l’air malade’, wat je moeilijk anders kan lezen dan een aanklacht tegen de luchtvervuiling.

Waar Arpaïs Du Bois vijfentwintig jaar geleden startte met zeer intiem, hoogstpersoonlijk werk, is dit nu opgerekt tot meer universele thema’s zoals milieu, overbevolking, overprikkeling en sociale vraagstukken zoals de vluchtelingenproblematiek. Du Bois: “Ik zocht een systeem om de buitenwereld een functie te laten vervullen in mijn werk. Hoe houden we ons staande in een wereld vol impulsen en storende factoren, is mijn centrale vraag. Vandaar ook de titel van mijn tentoonstelling in De Garage ‘Trébucheurs-Piétineurs’, struikelaars-vertrappelaars. We zijn met veel te veel en lopen elkaar voortdurend voor de voeten. Hoe verwerf je een plaats in die veelheid die juist voelt voor jezelf en voor anderen? Hoe neem je die plaats in zonder zelf een storende factor te zijn? Dat is een slopende evenwichtsoefening.”

 

In haar twee volgende expo’s broedt ze verder op deze thematiek. Haar opstelling in Gallery Fifty One krijgt een huiskamergevoel mee, geïnspireerd door de titel ‘Inconfortablement au salon’, hiermee duidend op de heerlijke onwetendheid waar we ons allemaal graag in wentelen. Want terwijl we ons ’s avonds in onze sofa nestelen zijn we ook belastend voor de planeet, bijvoorbeeld door onze kachel aan te steken. Gewoon alleen al hier zijn als mens, betekent dat je een impact hebt. Dat besef is zo verpletterend, dat je het niet de hele tijd recht in de ogen kunt kijken.

“Daarom ‘oncomfortabel in het salon’”, zegt Du Bois, “we kruipen in onze cocon terwijl we ons donders goed bewust zijn van wat er allemaal fout loopt. Ik pleit zelf ook schuldig.” In die zin kun je haar werk zien als een aanklacht tegen wat misgaat maar ook als een apologie. Door in de stroom van haar tekenen alles op te nemen wat om haar heen vloekt en wringt, hoopt ze een beetje van dat schuldgevoel in te lossen met kunst. Het is het kleine verweer van de kunstenaar, die het gevoel heeft boete te moeten doen voor zijn zonden maar ook voor die van alle anderen.

Wat in de kunstkritiek vaak vergeten wordt – en ik maakte bijna dezelfde fout – is simpelweg zeggen hoe mooi het werk van deze of gene kunstenaar is. Want dat is het werk van Arpaïs Du Bois ook: gewoon heel erg mooi. Ze werkt van klein – schetsboekjesformaat – tot A0, dus behoorlijk groot, maar altijd op papier. “Ik leg mijn werken plat op een grote tafel”, zegt ze, “en ze zijn zo groot als ik met mijn armen kan reiken. Dat ik ze niet verticaal ophang om te beschilderen heeft te maken met het vermijden van druppen. Ik gebruik heel veel waterverf. Maar tekenen is voor mij mentaal ook iets wat liggend gebeurt.”

Mogen we hier haar geheim prijsgeven? Hoe ze die hele mooie gelaagdheid verkrijgt? “Door op onorthodoxe wijze allerlei media te mengen”, bekent ze. Allerlei tinten bister en acryl, Chinese inkt en aquarel, ze vormen laag na laag een heel eigen, gedempt kleurenpalet. Een verrassing is het telkens als ze daar wat van afwijkt en plots een frivolere kleur opdoemt, zoals een felroze, een zeegroen of een heel diep stoutmoedig turkoois. Eén dag werkt ze per tekening en toch lijkt het alsof haar werk een patine van jaren meedraagt, als oude verweerde straatstenen waarin de kerven getuigen van een ver verleden.

Het indringendste werk in De Garage vonden wij ‘Le temps de la vie d’un arbre’. Misschien omdat Du Bois hier een zeldzame keer uitgesproken figuratief werkt. Misschien ook omdat naast de donkerte uit de knoestige boomstam een verlangen spreekt, een liefde en lichtheid zelfs. “Het hele voorbije jaar werd ik ontroerd en beroerd door bomen”, zegt Du Bois, “Overal werden ze gekapt om absurde redenen.” Du Bois woont op een druk kruispunt in Antwerpen, waar ze de hele tijd het geraas van auto’s en geroezemoes van mensenstemmen moet tolereren. Vaak lukt dit niet en redt ze zich met oordoppen.

Waarom doet iemand die – sorry voor het modewoord – duidelijk hoogsensitief is aan dergelijke zelfkastijding? “Omdat die constante lichte pijniging voor mij ook de voedingsbodem is voor mijn werk”, verklaart ze. Het is een mechanisme dat wij graag geloven, maar toch zouden we benieuwd zijn wat voor werk ze aflevert in een stiltegebied, in een plek waar de natuur overheerst. Kan iemand haar eens inviteren voor een residentie van pakweg zes maanden, een jaar?

 

 

Du Bois kiest niet voor de gemakkelijkste weg. Het is het lot dat gevoelige, bewuste mensen beschoren is, als ‘the willing suspension of awareness’ niet meer lukt: rondlopen als een open wonde, een voortdurende hyperalertheid die haast ondraaglijk is. De waarneming wordt rijker, wat vruchtbaar is voor een kunstenaar, maar ook de persoonlijke hinder wordt groter, door de overdaad aan storende prikkels. Dat soort van latent masochisme komt steeds terug in het werk van Du Bois. Zoals ze zich permitteert om haar moedertaal licht te pijnigen in haar werken, ontziet ze ook zichzelf niet.

Schuilt er dan geen verlossing in haar werk? O jawel. Vooreerst is er de zelfrelativering, in werken als ‘tout en dédramatisant’, waarbij Du Bois dissocieert en haar getroebleerde ziel onder loep neemt. “Meer lichtheid!”, vermaant de innerlijke criticus. Voorts benadrukt ze ook het belang van verbondenheid, in bijvoorbeeld de mooie woordspeling ‘Il faut partager son jardin’. Deel mee, sta open, laat binnen, hou niet alles voor jezelf, is haar constante pleidooi. Wie zich kwetsbaar durft op te stellen en zich op een authentieke manier verbindt met anderen, mag rekenen op een soort existentiële troost.

Wat als alles een beetje faalt? Dan is er nog dit, een sleutelwerk uit haar oeuvre, een concept waar ze naar eigen zeggen vijfentwintig jaar naar gezocht heeft: ‘Sortie de secours abstraite’, of hoe ieder van ons behoefte heeft aan een spreekwoordelijke nooduitgang, een plek waar het goed toeven is, waar alles harmonieus is, waar men kan opladen en rust vindt. Arpaïs Du Bois doet weinig anders dan tekenen, en heeft naar eigen zeggen amper een sociaal leven. Zou het kunnen dat dit voor haar de geliefkoosde vluchtweg is? Het atelier als plek van ultieme harmonie, waar alle tegenstemmen verstommen en de kunstenaar alleen heerst over zijn tedere wereld.


Expo’s:

  • ’Trébucheurs – Piétineurs’, solo show @ De Garage, Mechelen | tot 25.11.2018 (finissage & signeersessie)
  • ‘Prikkels, tussen pijn en passie’, groupshow @ Museum Dr. Guislain, Gent | 20.10.2018 – 26.05.2019
  • ‘Inconfortablement au salon’, solo show @ Gallery FIFTY ONE, Antwerp | 01.12.2018 – 26.01.2019
  • ‘SUITE’ , Solo show @Artcurial, Brussels | 17.01.2019 – 17.02.2019


Publicaties:

  • ’SI NON LÀ’, A FIFTY ONE Publication, 88p, paperback, ISBN 978 90 8177  257 0
  • ‘ma belle saison chez Vincent’, ANOTHER FIFTY ONE PUBLICATION, 120p, paperback, ISBN 978 90 8177 256 3
  • ‘Tout droit vers la fin en sifflotant’, Hannibal, 592p, hardcover, ISBN 978 94 9208 156 8
  • ‘Petit livre qui ne tient pas debout’, Lannoo, 238p, paperback, ISBN 978 94 0141 102 8

www.arpais.com

Share This Post On

1 Comment

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op