Stéphane Mandelbaum, impulsies van een getormenteerde ziel

Waar houdt kunst op en begint de waanzin? Het is een gewaagde vraag, want houdt goede kunst niet altijd een beetje waanzin in, een soort van grenzeloosheid bij de maker, het verlangen om te reizen naar de uithoeken van het brein? De Belgische kunstenaar Stéphane Mandelbaum (1961-1986) deed niets liever dan dansen op het dunne koord tussen kunst en gekte. Hij verkende in zijn werk de meest duistere plekken van ons mens-zijn, daar waar de donkerste driften huizen, en pooiers, prostituees en gangsters een hoofdrol spelen.

Een beeldenstormer wordt hij genoemd, omdat hij met zijn pen wild om zich heen sloeg, en hierbij met niets of niemand rekening hield. Een doetje was hij allerminst. Toen hij op vierjarige leeftijd reeds begon te tekenen, als kind van twee kunstenaars, en hierin een uitlaatklep vond voor zijn dyslexie, was er nog geen vuiltje aan de lucht. Maar al snel bleek dat zijn obsessieve geest gezogen werd naar obsceniteit en brutaliteit, en hij geneigd was tot spotternij en beschimping. Na een tijdje was het tekenen van die gecontesteerde thema’s niet meer genoeg. Eeuwig onrustig en zuchtig naar prikkels, moest ook in de realiteit bevrediging worden gezocht. Hij werkte intensief aan zijn conditie, zocht misdadigers en hoeren op, kocht wapens en dook diep in de onderwereld.

Portret van José. Grafietpotlood, plakkaatverf en kleurpotlood op papier,
123 x 109 cm. Collectie Antoine de Galbert.

Mandelbaum zette geweld op papier, en kwam zo ook aan zijn einde. In 1987 werd hij teruggevonden in een grot in Namen, doorboord door twee kogels, zijn gezicht verminkt door een zuur. Het dubieuze leven dat hij had geleid was hem nu zelf fataal geworden. De daders zijn nooit gevonden, maar wellicht werd hij vermoord door zijn eigen handlangers, partners in crime waarmee hij kunstdiefstallen pleegde. Ze waren onder meer betrokken bij de roof van een Modigliani, ter waarde van zeventig miljoen Belgische frank.

Mandelbaum schurkte aan tegen de marginaliteit, maar was tegelijk ook een verfijnde man met een rijke culturele kennis. Zijn werk is dan ook een splinterbom, een artistieke uitspatting in vele richtingen tegelijk. Zijn Joodse oorsprong en de naweeën van het nazisme krijgen een plaats, zijn angsten, verlangens en seksuele obsessies, alsook zijn adoratie voor mannen met een even diabolische ziel als de zijne, zoals Bacon, Pasolini en Buñuel. Hun door het leven gevormde en misvormde gezicht kerft hij met balpen, houtskool of potlood in papier, tot hij het gevoel heeft dat hij tot hen is doorgedrongen, en de lijnen resoneren met zijn eigen getormenteerde geest.

L’Empire des Sens, 1983, griffel op papier, 138 x 115 cm © Galerie Zlotowski

Het meest aandoenlijk vinden wij het portret van Sada, protagoniste uit Nagisa Oshima’s L’empire des Sens. Waar in andere werken sprake is van een rauwe, ranzige, zeer dierlijke seksualiteit, komt hier een zekere gevoeligheid voor het onderwerp bovendrijven. Door de focus te leggen op het gezicht, de verkramping, het zwart van de mondholte en de neusgaten, en de rest te laten vervagen, de borst die bijna opgaat in het wit van de pagina, trekt hij de aandacht naar dat sublieme, doch ook animale moment van totale overgave en zelfverlies. In deze tekening is het weidse bereik van de intensiteit van alle zintuigen zichtbaar, zelfs voelbaar, variërend van oneindige zachtheid tot schrijnende pijn.

Het moge inmiddels duidelijk zijn, vrijblijvend is het werk van Mandelbaum nooit. Het is een schel realisme waar je niet omheen kunt. Elke tekening is een slap in the face van het acceptabele, het gangbare, het welvoeglijke. “Aller jusqu’au bout”, dat was zijn motto, en dat heeft hij gedaan, zowel in leven als werk. Of zijn werk standhoudt los van de controverse en zijn grimmige levensloop kun je zelf nagaan in Centre Pompidou tot 26 mei, en daarna hier bij ons in het Joods Museum in Brussel.


Stéphane Mandelbaum, Centre Pompidou, Parijs, tot 26 mei 2019: meer info

Stéphane Mandelbaum, Joods Museum van België, 14 juni tot 22 september 2019: meer info

NU I/II/III, 1981. Triptiek. Droge punt op zinc. 24, 7 x 29,7 cm
NU I/II/III, 1981. Triptiek. Droge punt op zinc. 24, 7 x 29,7 cm
Pasolini. Balpen op papier, 48 x 67 cm
Zonder titel. Balpen, 45 X 60 cm. Privécollectie, België.
Bacon © D.R.
Share This Post On

1 Comment

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op