Stephanie Gildemyn, de mythe van Sisyphus herbekeken

Wanneer ik haar atelier bezoek is ze nog naarstig aan het werk met haar schetsen. Tientallen zijn het er reeds. Slechts enkelen zullen het overleven om op het grote doek te worden geprojecteerd. De doeken zullen er geen exacte kopies van worden, weet ze nu reeds. De schetsen zijn slechts uitgangspunten, kiemen van een gedachte die constant groeit en rijpt, onderhevig aan een intense analyse, die constant wordt verfijnd en verrijkt “Een koortsachtig zoeken’, noemt ze het. Zoeken naar wat? Het blijkt een filosofisch beladen vraag.

Stephanie Gildemyn begon de reeks in januari 2019. Het centrale thema: de mythe van Sisyphus. Hiermee werkt ze in het verlengde van een eerdere reeks rond nimfen en saters, waar ze de scheidingslijn tussen het aantrekkelijke en het afstotelijke verkende, zelfs trachtte weg te wissen. Beide zijn volgens haar slechts een verschijningsvorm van eenzelfde fundamentelere realiteit.

Zo ook haar behandeling van de mythe van Sisyphus, die in haar ogen –en in haar penseelstreek- niet de absurde verplichting voorstelt om steeds dezelfde rotsblok op de heuvel te moeten sjouwen. In haar creatieve proces neemt ze een ander standpunt, dat van een Sisyphus die de heuvel afdaalt. Wat gaat er in Sisyphus om? Wordt hij gekweld door de volgende, per definitie vruchteloze en dus absurde poging om de rots op de top te hijsen, of vormt dit neerdalen, bevrijd van deze arbeid, juist zijn kwelling? “In mijn ogen vormt het contemplatieve de werkelijke, zij het mentale last, en is deze zwaarder om te dragen dan de fysieke inspanning”. De straf ligt misschien meer in het ontbreken van de arbeid, in het niets om handen hebben, in de onvermijdelijke confrontatie met jezelf, in de meest naakte en onvoorwaardelijke vorm mogelijk, die er uit voort vloeit, dan in de futiliteit van de arbeid zelf.

Het uitgangspunt is gedurfd, zowel filosofisch als artistiek.

Ze heeft een aantal schetsen af wanneer een vriend haar wijst op het essay van Albert Camus, Le Mythe de Sisyphe. De lectuur ervan vervoegde haar gedachtegang. De absurde staat van de mens als uitgangspunt, niet meer als conclusie. “We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen”, stelt Camus. Een soort verlichte geest, die het absurde van zijn staat als mens inziet, door zijn rotsblok steeds te zien terugrollen, maar die door dit inzicht juist tot rust komt, in plaats van zelfmoord te overwegen of zijn heil te zoeken in geloof.

Niet zomaar benoemde Camus het kunstenaarschap als de meest absurde staat van de mens. Hij of zij probeert niets anders dan het absurde te herscheppen. Het is een compliment, aangezien zijn interpretatie van de mythe impliceert dat de kunstenaar uiteindelijk in een sublieme staat van inzicht, en dus van rust vertoeft.

Een broodnodige, fundamentele rust die Stephanie alvast probeert te bereiken met haar nieuwe reeks. Het blijft echter een intense zoektocht, te oordelen naar de variëteit van de schetsen. Ze ontdoet ze van alle anekdotiek, als om aan te geven dat haar persoonlijke zoektocht uiteindelijk universeel is. Haar Sisyphus kan dan ook zowel een mannelijke als een vrouwelijke gedaante aannemen, zowel een mystieke ervaring oproepen als ingebed zijn in het actuele en heel concrete. Zo ging ze voor sommige schetsen op studiereis naar Wallonië bestuderen, de Grot van Spy, Le Fondry des Chiens, Le Cailloux qui Bique. Zels als je je verdiept in het absurde kan dit gepaard gaan met grondig onderzoek. Ze houdt daarom ook steekkaarten bij met gedachten van Camus, en spreekt regelmatig over haar werken en de thematiek met bevriende filosofen.

Het is werk van lange adem. De traagheid van het procedé maakt echter dat in elke schets heel veel vervat ligt, zowel het gewicht van alledaagse beslommeringen, zoals de kinderen naar school brengen, eten maken en al te nieuwsgierige kunstjournalisten ontvangen, als flitsen van verlichtende inzichten die haar vergezellen als ze aan het werk is, of wanneer ze zichzelf in de luwte van de avond een moment van mentale rust gunt.

De wisselwerking tussen de artistieke en meer prozaïsche staat van zijn maakt haar werk heel intiem, als ‘hoofdstukken van emoties’. Telkens ontstaat een nieuw hoofdstuk wanneer voldoende gelijkaardige emoties en gedachten in een reeks schetsen komen te schuilen. Toch zijn ze evengoed universeel, aangezien ze met elke kijker gedeeld worden, in een gemeenschappelijke, zij het wezenlijk absurde staat.

Ook kunst is dus absurd, maar daarom niet noodzakelijk zinloos.

Author: Frederic De Meyer

Share This Post On

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op