Het leven van de eerste ‘moderne’ schilders… “Bohemian Paris”

De nostalgici van het rauwe, armoedige kunstenaarsbestaan zullen in ‘Bohemian Paris’ van Dan Franck genoeg voeding vinden. De omstandigheden waarin de vaders van de moderne kunst, Picasso, Braque, Matisse, Modigliani, om er maar enkele te noemen, in leefden ten tijde van Montmartre, waren niet bepaald comfortabel.

Het eerste deel van het boek, dat de periode beschrijft waarin de kern van deze moderne kunstenaars op Montmartre bijeen hokten, beschrijft mooi de armzalige omstandigheden van de kunstenaars, en staat bol van interessante weetjes. Zo liep Picasso blijkbaar in die tijd steeds met een revolver op straat, waar hij al te graag gebruik van maakte. Weliswaar voornamelijk om in richting wolken te schieten, maar dan nog. Hij zou de revolver overigens van de schrijver Alfred Jarry gekregen hebben, die pas echt volslagen krankzinnig met het tuig omging.

Het eerste deel van het boek is echter veel meer dan een samenraapsel van anekdotes. Het verhaalt heel treffend de wording van wat we moderne kunst zijn gaan noemen: de invloed van de Afrikaanse kunst erop, het belang van kunsthandelaars als Kahnweiler en Stein, de manier waarop deze bende toch een coherente visie ontwikkelden op de aard en de plaats van kunst in de maatschappij, en deze stem langzamerhand luider begon te klinken bij het grotere publiek.

De ‘Bateau-lavoir’, een huis dat gedeeld werd door Picasso, Modigliani en een aantal andere schilders

Wat mij persoonlijk trof en onvoldoende had ingeschat voordat ik het boek las, is de grote verbondenheid tussen kunstenaars en schrijvers in deze periode. Het belang van dichters als Appolinaire en Max Jacob op de revolutie in de schilderkunst valt nauwelijks te onderschatten. Als ik het boek mag geloven leken dichters noch schilders enig verschil te zien in beide kunstvormen.

Het boek is opgesplitst in 2 delen: de ‘Montmartre-periode’ en de ‘Montparnasse-periode’. Franck legt de breuklijn tussen de twee periodes, tussen de twee levensstijlen van de kunstenaars, heel duidelijk vast: bij de verkoop van de kunstcollectie van ‘La peau de l’ours’.

‘La peau de l’ours’ was een collectief van kunstminnaars dat regelmatige tijdstippen geld bijeenbracht om ‘moderne’

kunstwerken te kopen. Het plan was van meet af aan om de kunstwerken die ze hadden aangekocht na tien jaar terug te verkopen. Let wel: voor hunzelf hadden ze een winst van maximaal 5% voorzien, al wat boven dit bedrag werd verkocht zou worden overgedragen aan de kunstenaars zelf.

Het werd een onverhoopt succes. In totaal werden de werken voor 100,000$ verkocht, een gigantische som begin 20e eeuw. Maar het keerpunt was: Picasso was goed voor 25% van de verkoopsom. De wereld zou nooit meer dezelfde zijn, toch zeker niet de kunstwereld…

Twee reuzen van de moderne kunst, Modigliani en Picasso

Het tweede deel van het boek behandelt de periode van Montparnasse, de komst van opportunist Cocteau, het ontstaan van de dada-beweging, de dood van Appolinaire en (de immer onfortuinlijke) Modigliani. Feitelijk gebeurt er teveel in deze periode om in een half boek te worden beschreven, en het hoofdstuk lijkt dan ook sterk op een haastig samengestelde ‘who’s who’ van de culturele sector uit dat specifieke tijdperk.

Niettemin een uiterst boeiend boek, een wat mij betreft een razend boeiende ontmoeting met artiesten als Soutine, Picabia en Foujita, die ik voorheen nog niet kende.

Author: Frederic De Meyer

Share This Post On

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op