Alsof een tijdperk eindigt. Luk Lambrecht bezoekt De Pont, Museum Roger Raveel en Museum Dhondt-Dhaenens

(nvdr: dit is een opiniestuk van Luk Lambrecht en wordt met zijn goedkeuren integraal gepubliceerd)

Bij een bezoek aan De Pont en Lustwarande in Tilburg, Museum Roger Raveel in Machelen aan de Leie en aan Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle overviel mij het gevoel rond te lopen in museale werelden die de wereld niet meer zijn van vandaag. De bezochte plaatsen zijn bij toeval superdure, groene en haast exclusief  “witte” locaties waarin institutioneel geproefde en beproefde kunst kan gedijen in een veilige demografisch kapitaalkrachtige buur-omgeving. En bij toeval gaan de directeuren van deze musea allemaal tegelijkertijd op pensioen; dat doen de kunstenaars niet, op uitzondering van Panamarenko. 

Als de kunst (al) een spiegel zou zijn van de maatschappij, dan is het spiegelbeeld dat in deze notoire plekken wordt geëtaleerd – een beeld van introverte vreemdheid, draaiend in veelal nostalgische inhoud; getuigend van ego-ritselende genoegdoening en wentelend in haast aandoenlijke vervlogen, oogstrelende, alom overtuigende en bevestigde esthetiek. 

Het is alsof deze bastions ter beveiliging van ‘de goede smaak’,  cementrijke barricades hadden opgeworpen tegen wat vandaag niet alleen maatschappelijk beweegt maar ook technologisch evolueert. 

In de bezochte plekken is nauwelijks bewegend beeld te zien of het beweegt nauwelijks – de tentoonstellingen zijn scenografisch goed én wel bedacht en leiden de toeschouwer als in een sacrale plaats van het ene icoon naar het andere. Iconen van de opperste onaanraakbare vorm; “ingeschreven” in de kunstmarkt die wordt beheerd door het grootkapitaal. 

Als bij toeval drink ik  ‘s morgens na wat Antwerps fileleed, net over de Nederlandse grens in een “beter” baancafé, een stuk in “De krant van Breda” (02.07) over “de keizer van de luxe “ de Franse zakenman Bernard Arnault met intussen een persoonlijk vermogen van … 89,1 miljard euro. Hierin is te lezen dat “de wolf van kasjmier” uiteraard Picasso en Warhol verzamelt en zoals iedereen inmiddels weet met architect Frank Gehry zich onsterfelijk bouwde met een sculptuur van een museumgebouw in hartje Parijs. De andere kant van de medaille is zijn gewiekste manier van overnames en het geruisloos massaal ontslaan van werknemers – juridisch buiten schot blijvend voor de Staat – met als ultieme doel “de grootste luxegroep ter wereld te bouwen”. En dat lukte hem aardig omdat hij al vroeg geloofde in de kracht van de luxemerken – in casu Dior, het parfum van zijn moeder waar het allemaal mee begon en die in zijn ogen als merk zou blijven bestaan, wat ook gebeurde. 

Dat de kunst in de klauwen verstrikte van de luxe-industrie is geen toeval; wel is het opmerkelijk dat de kunst formeel meer en meer opschoof naar het uitzicht van een luxeproduct (luxe, rust en sensualiteit)  en dat manifesteerde zich vanaf de jaren tachtig op een zelfde moment met de opbloei van de luxemerken.

De Pont, Tilburg

De Pont in Tilburg was ooit een wringend platform waar de kunst nu eens niet terecht kwam in een “sierraad-museum”  van een bekende ster-architect maar in een voormalige, opgefriste fabriek met een enorme lege vlakte die deels werd ingevuld met een reeks witte koterijen die er nu nog steeds staan. 

De Pont werd stilaan een plaats van luxe, goede smaak  en van het esthetische status quo ; niet meteen een plaats waar de kunst in alle ‘geweten’ en andere vrijheden aan een onderzoek werd blootgesteld. De Pont werd en blijft in de eerste plaats een privé-plaats/stichting  met het aanzien van een publiek museum dat het niet is.

Alle bekende namen uit een bepaald circuit passeerden hier de revue, gelardeerd met wat plaatselijk Nederlands talent. Het beleid was gericht op solo-presentaties zodat thematische uitwijdingen niet of weinig plaats vonden waardoor ook het discours met de tijd stokte en het navel-exclusieve debat zichzelf onderhield. 

Het doet anno 2019 vreemd aan rond te lopen in een nauwelijks veranderde vaste collectie met obligaat werk van Anish Kapoor, Polke en Richter, Bill Viola, Thomas Schütte, Rene Daniels,  Ann Veronica Janssens, Richard Serra, Thierry De Cordier  en andere … veelal goedboerende esthetische soortgenoten, waartussen zich hier en daar én in de wolhokken nu een expo voltrekt van Luc Tuymans onder de titel “The Return”. 

Luc Tuymans (1958) die in De Pont in 1995 al onder curator Hendrik Driessen een tentoonstelling met eigen werk mocht presenteren. Het is alsof De Pont één vast-lopende melodie ten gehore brengt, voor een beter én ouder publiek – waar geen plaats is voor dissonantie, laat staan geruis; een mens hoort in De Pont alleen zaligmakende kamermuziek. Dat is vergelijkbaar met het programma van zomerse festivals alhoewel op festivals meer en meer ‘garden stages” worden opgetrokken waar de polsslag van de jonge en vernieuwende “cultuur” te ontdekken valt.

Naast de enorme  expo-hal is er een ruime De Pont kantine bijgekomen én een nieuwe expo-box waar foto’s van de Brit John Riddy keurig zoals het hoort tegen de hagelwitte muren hangen  –  klaar voor een verstilde rond-gang.

De Pont verandert binnenkort van directeur en veranderen zal en moet het met de pas aangestelde en tot in de wol van de moderne en actuele kunst geverfde Martijn van Nieuwenhuyzen die overkomt van het Stedelijk in Amsterdam. Als overgangsfiguur zal hij waarschijnlijk op een rustige manier de bruggen in De Pont  herstellen die de kunst opnieuw voeling kunnen geven met de (buiten)wereld en met ruimere, meer gekleurde visies op de wereld van divers samen-leven. 

De expo van Luc Tuymans is bedacht als een doolhof. In de wolhokjes hangt per hokje één tot max. 3 kleine oude werken uit de jaren tachtig en negentig; hokje in, hokje uit…  In een gratis pocketboekje wordt de kijker (be)geleid in het kijken en interpreteren van deze schilderkunst waarbij het woord van de kunstenaar al even noodzakelijk is als bijvoorbeeld de fysieke aanwezigheid bij performances van Joseph Beuys wiens perfo-residu’s in vele musea nu te vergelijken zijn met  “nature mortes”. 

Misschien ligt de samenvatting van de kunst van Luc Tuymans wel in het tonen van  ‘wat het niet is’; louter visueel is dat zo via a priori beeld-vervreemdende uitsnijdingen van zelf genomen foto’s via de gsm, gevonden foto’s… etc…  Luc Tuymans: “De montage, de beweging van het beeld, de close-up – dat is allemaal extreem belangrijk voor mijn werk”.  De flets en ge- en verbleekt geschilderde beelden geven een soort sfeer weer die de toeschouwer loslaat in een desolaat gissen naar inhoud die de kunstenaar/verteller weliswaar…  op het einde van het zoekend oplossen van het beeldraadsel graag zelf  (mee)deelt. 

Naast de honderden verhalen, afgebeeld in zijn vele schilderijen gaande van zijn 17e tot vandaag op zijn 60e,  blijft het schilderen zelf een zichtbaar gedoe en geschraap gericht naar een visuele, deels “overbelichte” figuratieve  schraalheid. Dit is een soort schilderkunst die het onderwerp onderwerpt aan een fletse, als door de zon afgetrokken fotobeeld waarin formeel en materieel de inhoud al tot een verleden behoort – als een soort ‘verlopen’ story -telling met de verf in de hoofdrol die het onderwerp als op een te hoge temperatuur gedraaide gekleurde was, bleekjes “afgebleekt” netjes tegen de muur aan het oog van de toeschouwer terugbezorgt. 

Waar zit de kern van dit soort slimme en met de jaren systeem-handige schilderkunst? Het kadrerende, decisieve moment van de beeldkeuze, het soort nonchalant ingevoerde wazigheid van het onderwerp of de schemerzone van fletsheid die in verband wordt gebracht met ‘onze’ selectieve herinnering ? Het is een beetje van alles; het levert alvast cultuurpessimisme op en leunt op voltooid verleden inhouden op basis van (recente) archieven.

De expo in De Pont doet dus heel deprimo aan, zoals de tijd van nu dat ook doet.  De verhalen in het publieksboekje zeggen nauwelijks iets over de schilderkunst; hoogstens staan er wat losse infootjes te lezen opgehoogd met algemeenheden die voor alle kunst kunnen gelden. Ik citeer er eentje:

“Door middel van onduidelijkheid, vervreemding en onbehagen trekt het schilderij ons vermogen in twijfel om dat wat we zien ook als waar te nemen en te analyseren”.  Hallo !

De schilderkunst van Luc Tuymans blijft een sluwe variant op een soort soft expressionisme met een schrale saus er overheen dat qua inhoudelijke decodering zich graag laat leiden naar de catalogus, de zaaltekst, het publieksboekje en/of naar de kunstenaar zelf. Wel zijn de beste schilderijen van Tuymans nu niet in Venetië te zien maar wel in Tilburg. “Slide” (2002)  toont projecties van witte, inhoudsloze diapositieven op een muur; het licht wordt het autonome onderwerp van deze schilderijen dat wellicht zonder dat de kunstenaar het zelf besefte als schilderijen een auto-kritische anomalie werd op zijn expliciet in de verf willen projecteren van (interessante) verhalen op doek.

Dat Luc Tuymans zijn beelden distilleert van op zijn gsm en vervolgens op een computer tot een gewenst beeld manipuleert, waarna hij dat beeld in één ruk op doek schildert – neemt nog niet weg  dat hij zijn schilderkunst zou aanpassen  aan de tijd waarin wij leven met de daaraan  bijbehorende nieuwe technologie. 

Grootmeester Gerhard Richter deed dit wel en zelfs op hoge leeftijd zocht en vond hij uitwegen om zijn ‘traditionele’ schilderkunst fundamenteel aan een onderzoek te blijven onderwerpen. Het leidde naar het ontrafelen van schilderijen doorheen de “digitale molen” – en mondde uit  in op het eerste gezicht  strenge geo-abstract-digitale beelden van klein tot monumentaal waar geen verf meer aan te pas kwam maar…  de echo aan de schilderkunst visueel verpletterend aanwezig was. 

Gerhard Richter – in tegenstelling met Luc Tuymans – bevraagt het medium schilderkunst vanuit het moment (zelve) van productie door toepassing van hoogtechnologische middelen –  zonder zich daarbij in te laten met het uitbeelden van  al dan niet politiek geladen onderwerpen. 

Gerhard Richter gebruikt veelal zijn familie en directe omgevingen en dwingt het hem vertrouwde beeld tot een status die onze blik afleiden naar de ruime  geschiedenis van de (schilder)kunst in een ‘bewogen’ stijl die de waarheid van alle beelden ferm  in twijfel trekt.

Desalniettemin is de tentoonstelling “The Return” van Luc Tuymans in De Pont een soort doolhof waarin velen heerlijk zullen kuieren omdat de meesten niet anders kunnen en durven omdat de affiche het zo gebiedt.

Lustbos De Warande, Tilburg

Na een spiegeling in de schuin opgestelde spiegel van Anish Kapoor op het voorplein van De Pont begeven wij ons naar de veelbesproken zomerse expo “Delirious” in  het mooie lustbos De Warande  in de betere periferie van Tilburg. Het is een expo mét plannetje én nummertjes geworden zoals die al sedert de jaren zestig welig worden georganiseerd ter vermaak en ter verkoeling van de zomers verpozende culturo-mens.

“Delirious” gaat in op een nieuwe trend die te maken zou hebben met een zich als mens willen afzetten tegen de toenemende digitalisering en nivellerende globalisering. Dat merk je ook bijvoorbeeld in de muziek,  met de massale opkomst en dito interesse voor singer- song writers die de geiten wollensok folk van weleer nieuw leven inblazen. In de beeldende kunst brengt dat een retour met zich mee van “een hernieuwde aandacht voor de fysieke productie van beelden en voor een heronderzoek van bestaande nieuwe materialen”. Er wordt in de brochure zelfs verwezen naar een parallel met de kunst uit de jaren tachtig toen de zogenaamde “huid” van de sculptuur centraal stond. Ja en dat doet mijmeren aan een periode waarin vooral curator Saskia Bos de lage landen op sleeptouw nam met ondermeer een meer dan schitterende editie van Sonsbeek 86 met fraai werk van oa Lili Dujourie, Niek Kemps, Jan Vercruysse, Ettore Spalletti en Franz West… 

De expo “Delirious” in Tilburg is een soort zoekactie geworden in het mooie sterbos waar allerlei abstracte en andere  kunstwerken zich doortrapt en transparant verhouden tot het verleden, zonder noemenswaardige toevoegingen die een mens in de waan laten dat kunstenaars hier écht bezig zouden zijn met  “hun” tijd, een tijd waar alles nu op losse schroeven draait. 

De meeste kunstenaars draaien zich met hun kunst in zichzelf in een autonome beeldtaal die vooral de bomen door het bos toefluistert. 25 kunstenaars doen deze keer mee met al dan niet nieuw figuratief en schraal verhalende kunst. De gevierde Belg Filip Vervaet is er ook bij met een installatie van gekleurd spiegelend glas waartussen een schraal boompje staat en een ingenieus in elkaar gecollageerde vaas  waarin meerdere culturen samensmelten. Deze bijdrage is een mooie synthese van de manier waarop jongere kunstenaar als deejee’s proberen om te gaan met werk dat ze van weleer kennen zoals dat van Dan Graham of Tony Cragg en … ze vakkundig de das omdoen zodat de inhoud zich verliest in een nieuwe vorm. 

De meer bekende Brit Sarah Lucas toont twee sculpturen in het bos in de vorm van reuze courgettes. De ene is van van beton, de andere van blinkend brons – het doet meteen denken aan Pop Art bijvoorbeeld maar vooral en ook aan een gepolijste variant op de fantastische kunstenaar Franz West. Tussen de vele plezante “spielereien” door blijft het werk van de onvatbare Zweedse Nina Canell – die onlangs nog schitterde in S.M.A.K. in Gent  – een wandeling tot de rand van het parkbos de moeite. Ze bedacht een kleinsculptuur die pal op de bosgrond ligt en heel abstract aandoet. Bij nader toezien én met de lectuur in de hand,  blijkt het een versteende vorm te zijn van ons “slakkenhuis”  – “menselijke gehoororgaantje dat verantwoordelijk is voor de omzetting van geluidsgolven in elektrische zenuwsignalen”. Wat een exact, bescheiden en inhoud-krachtig werkje in de context van een stukje hemels gemaakt natuur-cultuur, waar de bonte verzameling vogels langs en op de aanpalende waterpartij ons gehoor opvrolijken met hun getjierp, gekwetter en gezang…

Lustwarande is een lust voor het kunst-toerisme – mensen houden van beelden buiten; gaan er graag als bij een zoektocht op zoek naar de kunst ‘tussen de bomen’; blijven er verpozen en komen ervan achteraf op adem met frisdrank, koffie en een stukje taart in de plaatdelijkecatering pop-up-faciliteit. 

Roger Raveelmuseum, Machelen

Aan de oude Leie-arm in Machelen-Zulte is het altijd stil en rustig in één van de vele aan een overleden kunstenaar gewijde musea. Zonder “zijn”  museum was schilder Roger Raveel misschien al meer in de vergetelheid geraakt; dat is de miserie met veel interessante kunstenaars die te lokaal bezig waren en waarvoor de interesse van onze musea te minimaal bleef om ‘(inter)nationaal de tand des tijds te overwinteren. Directeur Piet Coessens  binnenkort op pensioen,  stelde een heel interessante, mooie en intelligente tentoonstelling samen rond wijlen BRT-medewerker kunst & cultuur Jef Cornelis. Hij was samen met Ludo Bekkers de pionier in het maken van fantastische kunstprogramma’s waarin méér zat dan alleen de intentie van volksverheffing. De tv was in de jaren zestig tot tien jaar geleden hét massa-medium en daarvan maakte Jef Cornelis met de toen beschikbare middelen ruim gebruik van. Wellicht wordt Jef Cornelis nog het meest herinnerd door “de langste dag”, een als wielerwedstrijd geformatteerde uitzending bij de opening van “Chambres d’Amis” in Gent (1986).  Ook het erg polemische cultuur-praatprogramma “Container” (1989) met de  slimme cultuurdenkers Bart Verschaffel en Lieven De Cauter stond onder Cornelis’ verdiensten maar werd al snel door de brt-directie afgevoerd. Container was veredelde, hoogstaande café-praat over de kunsten waarover De Cauter recent terugblikte: “Container was een utopie, en zoals bij alle utopieën, liep het ook hier mis”…

De expo met de veelzeggende titel “Kunst is voor weinigen” toont de mentale leefwereld van directeur  Piet Coessens, die ooit de leiding had van de exposities in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel én zelf een product is van de generatie Cornelis. 

De expo in Zulte is wondermooi in elkaar gestoken met al bij de inkom een fraaie combinatie van 4 referentiële kunstenaars Daniel Buren, Panamarenko, Marcel Broodthaers en Franz West. Prominent aanwezig is het werk van Jef Geys en van tal van Zuid-Amerikaanse kunstenaars waarmee Cornelis een band had nav de roemruchte tentoonstelling “America. Bruid van de zon” (1992)  in kmsk in Antwerpen en waarvan o.a. de mooie concept-tekening te zien was van de permanente ingreep van David Lamelas in de tuin van het Antwerpse Museum. 

Piet Coessens trok een straf kunsthistorisch spoor in het museum met soms onbekende, schitterende werken uit de collecties van de Vlaamse Gemeenschap en de Stichting Belgacom waartoe Jef Cornelis via zijn bekende harde lijn als lid van adviescommissies,  een heuse stempel wist te   drukken. Te veel om op te noemen zijn de interessante kunstwerken van ondermeer Philippe Van Snick, Lawrence Weiner, Bruce Nauman, Joseph Beuys, Sigmar Polke, Guillaume Bijl Guy Mees en Jan Vercruysse die allemaal niet zonder slag of stoot het pad effenden voor de actuele “hausse” van de kunst en de markt. Het is te hopen dat deze tentoonstelling een publicatie oplevert omdat het geheugen aan “andere” tijden waar de kunst nog echt “voor weinigen” was,  heel snel verbleekt.

Museum Dhondt-Dhaenens, Deurle

Wat verder op worstelt het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle met de toekomst. Ook al de binnenkort op pensioen vertrekkende directeur Joost Declercq laat een museum na dat door lokale (politieke) spanningen haar toekomst niet meteen weet en kan realiseren. Het jarenlang juridisch  afblokken van bouw- en andere vergunningen door een kapitaalkrachtige uit de voegen getreden villa-buurt,  maakt de intenties vandaag onmogelijk om een betoelaagd museum te worden dat zich zou specialiseren in het conserveren en tonen van de betere privé-collecties in Vlaanderen. Joost Declercq was daar al als voormalig notoir galerist al vele jaren mee bezig; het lijkt er sterk op dat zijn opvolging een andere koers zal moeten inslaan. 

De expo “Schöne Sentimenten” is een statement rond deze cultuur-politieke patstelling in het door mals groen omgeven museum. Het concept bestaat erin dat met blauw krijt de contouren van talrijke (afwezige) topwerken uit prive-collecties niet kunnen worden getoond en hiermee op slag de vragen worden opgeworpen over ‘oplossingen’ voor het bij elkaar houden van belangrijke privé -verzamelingen in ons land. 

De scenografie van deze expo is bijzonder en goed doordacht door Maxime Prananto die het museum onderdompelde in een soort doorkijk- en dito doorsteek poppenhuis. 

De inkom wordt magistraal doormidden gesneden met een monumentale mdf-muur waaraan een mooie selectie affiches prijken van Michel Francois en zoals steeds,  produceerde hij er één nieuwe die bij een bezoek gratis de uwe kan worden. Joëlle Tuerlinckx is er deze keer ook bij met tal van ingrepen, gebruik makend van archieven van het museum en met het met transparante tape ophogen van de met blauw krijt markeringen van de afwezige “spook-kunstwerken” .

Alle grote namen passeren hier ook de revue waarbij vooral de erg ontroerende “kamer” van Jan Vercruysse opvalt en bewijst hoe dit oeuvre  stand houdt en van grote culturele betekenis getuigt! Ook de werken van de immer eigenzinnige Thomas Schütte en het meesterwerk van zijn generatiegenoot Thomas Ruff die de fotografie altijd meer laat zijn dan ‘zomaar’ een kiekje van de wereld.

”JPEG TJO1”, 2007 van Ruff is een schitterend monumentaal beeld van een stuk natuur waar doorheen subtiel de pixels verschijnen van de enorme uitvergroting van het digitale beeld. Paradoxaal genoeg is de schoonheid van dit beeld nog heviger en haast poëtischer dan (waarschijnlijk) het origineel.

Dit beeld is één van de mooiste om de zomer van 2019 door te komen. 

Luk Lambrecht


Author: The ArtCouch

Share This Post On

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op