Legale aspecten van de kunstmarkt: kan je een idee als kunst verkopen?

Kunst ervaren heeft wat ons betreft eerst en vooral met passie en intuïtie te maken. Wat niet wegneemt dat er een markt is voor kunst. Zonder deze zou er wellicht geen kunst gemaakt worden, of tenminste veel minder. Zoals elke markt is de kunstmarkt onderhevig aan regels, al zijn die in deze markt misschien wat onduidelijker, alleszins complexer.

In deze reeks vragen we advocaat Oliver Lenaerts om een antwoord op vragen waar kopers en verkopers van kunst mee zitten. Deze week:

Kan je een idee als kunst verkopen?

TAC : Waarom is de banaan van Maurizio Catallan zo relevant in het licht van het auteursrecht ?

OL: Het werk, van de hand van de Italiaan Maurizio Cattelan, werd op Art Basel Miami Beach verkocht en is niet meer of minder dan een banaan die met tape aan de muur is geplakt. Je vraagt je onmiddellijk af of dit werkelijk een kunstwerk kan zijn. De kunstenaar ziet het werk vooral als een aanklacht tegen de doorgedreven commercialisering van de kunstmarkt en heeft net om die reden gekozen om dit werk op te hangen op een wereldbekende kunstbeurs die deze trend belichaamt. Bovendien is die banaan als vorm vergankelijk wat onmiddellijk een probleem oproept op het vlak van economische waardering – wie zou er immers een vergankelijk goed willen kopen? Gaat het dan eerder om de richtlijnen (in de vorm van een certificaat) die je meekrijgt wanneer je het werk koopt ? Dit roept dan weer vragen op rond de status van dergelijk certificaat – is het een contract of een voorwerp vatbaar voor eigendomsrechten. Of is het eerder het idee achter het kunstwerk – het fysieke object is dan niets meer dan een zichtbare manifestatie van het onderliggende werk. Dat is zeker een mogelijkheid, al roept dit meteen vragen op over de auteursrechtelijke bescherming.

TAC: Wanneer is een kunstwerk auteursrechtelijk beschermd ?

OL: Een van de pijlers van het auteursrecht is de afwezigheid van de bescherming van ideeën. Het auteursrecht is opgebouwd rond twee criteria: originaliteit en de vorm waarin een werk wordt veruitwendigd. De rechtspraak is duidelijk op het punt van de originaliteit: de “banaliteit” van een werk is niet relevant voor zover het werk een weergave is van een creatieve geest.

TAC: Hoe past het recht die criteria toe op conceptuele kunst ?

OL: Het is vooral het tweede criterium dat botst met de hedendaagse conceptuele kunstpraktijk. Weinigen onder de Belgische rechtsgeleerden durven te stellen dat het auteursrecht ideeën beschermt.  De vraag is uiteraard waar de grens ligt tussen een veruitwendigd idee en een niet uitgedrukte gedachte. Of, in andere woorden, de conceptuele kunstpraktijk toont aan dat er een grijze zone is tussen “idee” en “vorm”  zoals die klassiek worden geïnterpreteerd in Belgische auteursrecht.

TAC: Welke lessen kan het recht trekken uit de conceptuele kunstpraktijk ?

OL: Buitenlandse rechtspraak toont een andere interpretatie, eerder vanuit de intrinsieke betekenis van een kunstwerk dan vanuit een instrumentele visie op een kunstwerk. De Spoerri-zaak (Hof van Beroep Parijs) betrof tableaux pièges – een soort van ontbijttafereel, bestaande uit objecten uit het dagelijkse ontbijtritueel die op een doek werden geplakt en die, mits in de instructies van kunstenaar werden opgevolgd, als een ‘echte’ Spoerri gecertifieerd kon worden. Wat de zaak, en bij uitbreiding de conceptuele kunstpraktijk, ons leert is dat de grens tussen vorm en idee helemaal niet zo duidelijk is. Spoerri beschouwde de tableaux-pièges niet als een kunstwerk, alles kon een tableaux-piège zijn. Dezelfde redenering volgend zou je kunnen zeggen dat de banaan met tape evengoed een boterham met tape mag zijn. Je koopt immers niet de banaan, maar wel de instructies om een banaan op te hangen. Ander gezegd, de banaan is inwisselbaar. Waar het om draait is dat een vorm wordt gekozen die het idee veruitwendigt dat de kunstenaar voor ogen had. In tegenstelling tot een schilderij van van Gogh, ligt de klemtoon niet op het schilderij (dat overeenkomst met het idee dat Van Gogh voor ogen had), maar eerder op het idee waarvoor de kunstenaar een geschikte  structuur kiest.

TAC: Is er dan nood aan een aanpassing van de auteurswetgeving ?

OL: Conceptuele kunstenaars beschouwen ideeën, op zich als een kunstwerk. De vraag is dus wanneer het recht volgt. Zou het niet logischer zijn te vertrekken vanuit een globale benadering van het kunstwerk in plaats van een kunstwerk te beperken tot haar materiële verschijningsvorm, om zo de opdeling vorm en idee als het ware te omzeilen. Een kunstwerk bestaat dan uit het uitvoeringsproces van een idee waardoor vorm en idee één onlosmakelijk geheel vormen. Onder de elementen die de veruitwendiging van het idee bepalen, verstaat men dan niet alleen de lichamelijke vormen (de externe vorm) maar ook de onlichamelijke elementen zoals de ruimte waarin het werk wordt tentoongesteld en de context van de tentoonstelling (de conceptuele vorm). Het concept wint zo aan belang. De notie ‘vorm’ wordt dan ingevuld aan de hand van het concept van het werk dat voldoende gestructureerd moet zijn. De graad van structuur wordt dan bepaald door de richtlijnen die voldoende omschreven moeten worden zodat men een beeld krijgt van het finale kunstwerk zoals het geconcretiseerd moet worden. Daarmee wordt ineens het belang van certificaten onderstreept – niet als een contract, maar als optionele richtlijnen die de koper kan naleven. Die handelswijze toont dan aan dat een kunstwerk niet de fysieke manifestatie is maar eerder het achterliggende idee.

TAC: Wat zijn volgens jou de doorslaggevende criteria in het debat rond het openbreken van de auteurswetgeving ?

OL: Daarop voortbouwend en uitermate belangrijk in het debat rond het openbreken van de traditionele opdeling ‘vorm’ en ‘idee’ is de rol van de toeschouwer. In de conceptuele kunstpraktijk, en ook in het kunstwerk van Catellan, neemt de toeschouwer een belangrijke plaats in. Het auteursrecht vindt zijn bestaansreden in feite in de aanwezigheid van een publiek. Die notie valt niet te verwarren met de notie ‘mededeling aan het publiek’. Zij betekent gewoonweg dat het kunstwerk slechts van bescherming kan genieten van zodra ze bekend geraakt bij het publiek. Om het met de woorden van Marcel Duchamp te zeggen: ce sont les regardeurs qui font des tableaux. Men kan gewoonweg niet de bijdrage ontkennen die het publiek – direct of indirect – vaak levert aan het creatieve proces, wat mooi geïllustreerd wordt door de banaan van Catellan. Niet alleen de locatie maar ook de relatie van het kunstwerk met het publiek ter plaatse, maakt van het idee een kunstwerk.  

TAC: Nog een slotbedenking ?

OL: De conceptuele kunstpraktijk toont dus aan dat een duidelijke gestructureerd concept waarbij de rol van het publiek niet wordt miskent, elementen zijn die kunnen bijdragen tot een hedendaagse invulling van de grijze zone tussen ‘idee’ en vorm’. De hedendaagse kunstpraktijk kan zo als de motor aanzien worden voor de ontwikkeling van het auteursrecht.

Author: Frederic De Meyer

Share This Post On

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op