Een flinke brok kunstgeschiedenis: de dynamische schilderkunst van Jules Schmalzigaug

Jules Schmalzigaug is veertien en heeft een scheve rug. Zijn ouders sturen hem in 1897 vanuit Antwerpen naar Duitsland voor een behandeling. Als Duitse inwijkelingen zit het gezin flink in de slappe was, met dank aan een uitstekend draaiende koffiegroothandel.

Jules’ scoliose zou de eerste aanzet worden tot een opmerkelijke en helaas te korte carrière. In Duitsland zet hij zijn eerste stappen in de schilderkunst, eerst buiten de radar van zijn ouders en nadien met hun zegen.

Wanneer hij in 1901 naar Antwerpen weerkeert, schrijft hij zich daar in aan de Academie. Schmalzigaug is een zelfbewuste jongeman en wanneer dit honorabele instituut niet tegemoet komt aan wat hem in zijn begeestering voor ogen staat, trekt hij er na enkele maanden de deur resoluut en voorgoed achter zich dicht. Vincent Van Gogh had enkele decennia eerder reeds dezelfde poort vroegtijdig achter zich dichtgesmakt.

Jules vertrekt nog datzelfde jaar opnieuw richting Duitsland, naar de Academie van Karlsruhe.  Het jaar nadien zet hij zijn vouwstoeltje en parasol op in Brussel en de Antwerpse Kempen aan de zijde van de openluchtschilders Isidodore Verheyden en Adrien-Joseph Heymans. Wat hij in de schilderkunst zoekt zal hij echter niet in beemd en bos vinden. Ook de pittoreske veenplassen keert hij de rug toe. Hij reist in 1905 af naar Italië en keert weer naar België. Dan gaat het richting Parijs en uiteindelijk zal de zoektocht hem in 1912 opnieuw naar Italië stuwen.

Het toenmalige openbare leven in de steden veranderde snel. De elektrische verlichting werd alsmaar verbeterd en zwengelde daardoor het uitgangsleven aan. Flaneren en pronken met jezelf is nogal belachelijk wanneer het donker is.  De fiakers, landauers en andere door paarden getrokken huurrijtuigen, de paardentram en het begeleidende andante van het hoevengeklos maken plaats voor de explosiemotor. Wervelende benzineslierten vervangen de alomtegenwoordige mest op de boulevards. Sneltreinen denderen in stoomwolken van hoofdstad naar hoofdstad en nieuwe goden vestigen records in hun racewagens. In deze atmosfeer vindt Schmalzigaug in Venetië aansluiting bij het Futurisme, dat hij omschrijft als “een esthetische stroming van het experimentele universum om dynamisme weer te geven op doek”. Deze manifesttaal is hoogdravend, maar ook de banier waarachter de nieuwlichters ten strijde trekken tegen al wat er voorheen volgens hen zoal was verkeerd gegaan. En dat was zowat alles. Vooral hun voorman Marinetti bakte het knap bruin met zijn oproep musea en andere kunsttempels van de kaart te vegen, te vernietigen en door de oorlog op te hemelen als de geschikte hygiënische aanpak bij uitstek om de ontsporingen van het verleden voorgoed de wereld uit te helpen.

Bij Schmalzigaug beperkte de beïnvloeding zich tot de kunstzinnige kant. Hoe kan men de statische weergave van een onderwerp op een schilderij tot beweging brengen en er een tomeloze energie in suggereren? De Futuristen experimenteren met een nieuwe beeldtaal in het streven de moderne, alsmaar versnellende tijd bij de lurven te vatten. Hoe zet je de dynamiek van het moderne tempo om in vormen en kleuren? Hoe kan je een voorbijrazende moto of wagen flitsen? En is het terloops ook nog mogelijk zijn gebulder visueel weer te geven?

De Futurist mag niet achterom in de tijd kijken, op gevaar af tot een zoutzuil te verstarren. Hij zal zich de morele verplichting opleggen zijn werk op een dergelijke wijze te creëren dat er een geloof in een swingende toekomst uit tevoorschijn kolkt.

Het schilderij “Dynamisch gevoel van de Dans (Interieur van een Nachtbar)” (fig. 1) uit 1913 is als een gebroken spiegel waarvan de fragmenten in een alternatief geometrisch patroon verschoven zijn.

Onder invloed van de centrifugale kracht voegen de stukken zich opnieuw samen in een zwiepende beweging. Doorheen de bonte geometrische figuurtjes in zwarte en primaire kleuren zijn nog net onderdelen van het nachtcafé te herkennen: toetsen van een piano, de vakken van een schaakbord, stukken cafétafels. Heel die breed wervelende zwierigheid wordt nog eens goed in de verf gezet door de witte spiralen. Uiteindelijk mondt de roterende beweging uit in de pirouette van de danseres, een tollende beweging ter plaatse: een rustpunt waarop het oog zich kan fixeren.

De structuur van het stilstaande beeld wordt losgelaten waarop met de onderdelen een nieuwe synthese en beweging ontstaat.

In het werk “Dynamische uitdrukking van een snel rijdende auto” (fig.2) dat omstreeks ’14-’15 werd geschilderd, lost het onderwerp zich op in beweging en voortstuwende energie. Mechaniek staat voor energie en snelheid. De wielen en delen van de zwarte carrosserie zijn herkenbaar. Dat de wagen zich van rechts naar links beweegt, leiden we af uit het nog duidelijk aanwezige perspectief, de vorm van de wielen en uitwaaierende arabesken. Het is een turbulent geheel van vormen en primaire kleuren geworden . De snelheid vervormt de carrosserie.

De beweging zet zich bij Schmalzigaug om in dergelijk sterke energie dat het oog nog slechts gefragmenteerde informatie opneemt: kolkende lijnen, driehoeken, vlakken, in elkaar overgaande kleuren. Het resultaat van deze middelpuntvliedende explosie neigt naar een abstractie met nog een zekere figuratieve herkenning. Het werk is nog niet volledig abstract met de inherente overbodigheid van de werkelijkheid, maar kleur en vorm beginnen stilaan een zelfstandig bestaan te leiden.

In voortschrijdende fasen is het figuratieve bij Schmalzigaug in ontbinding. Het perspectief verdwijnt en de kleuren zijn niet meer de objectieve weergave van de omgeving, maar wel een reflectie van de innerlijke beleving van de schilder.

In “Draaideur” (fig. 3) herkennen we nog net de verbrokkelde weergave van een man die de lobby van een hotel of zakenkantoor binnen zwiert. Dit werk roept bij mij telkens het beeld van Kapitein Haddock uit Kuifje op die nog maar  eens hoogst wanordelijk van de trappen stuitert.

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog was Schmalzigaug genoodzaakt terug te keren naar België. Van daaruit emigreerde hij vervolgens naar het stijfburgerlijke Den Haag, wat voor hem uiteindelijk de dood in de pot betekende. De precieze oorzaak van zijn zelfdoding is niet bekend, maar de benauwende conventies van zijn nieuwe milieu waren nu net dat waartegen hij zich als Futurist met klem had afgezet. Hij die zich zo had geïdentificeerd met de opgang van de nieuwe tijd sloot op 13 mei 1917 elke weg naar zijn eigen toekomst definitief af.

Author: André Degeest

Share This Post On

1 Comment

  1. Dank voor dit uitgebreid artikel. Heerlijk om op die meegesleept te worden in de tijd van deze kunstenaar. Wat een krachtige taal om de sfeer van zijn kunst te verwoorden. Een aangename verrassing trouwens om deze kunstenaar te ontdekken

    Post a Reply

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op

X