Honderd jaar Raveel in drie tentoonstellingen, een voorbeschouwing

In grijze stofjas en met de pet op het hoofd leek hij een duivenmelker, zo’n volksmens die honkvast op zijn hok blijft resideren tot moeder de vrouw hem voor de derde maal toeroept dat hij het zelf maar moet weten, maar de soep staat koud te worden.  

Was Roger Raveel een volksmens en zijn kunst naar thema volkskunst? Hij raapte zijn onderwerpen op onder de kerktoren van zijn geboortedorp Machelen-aan-de-Leie. Om een eigen universum te scheppen moest hij niet van hot naar haar vliegen en jagen. Zo nu en dan verschijnt er op zijn schilderijen een fiets en een stootkarretje om de wolken te vangen. Zijn objecten doen het bij uitstek goed tegen een achtergrond van ouderwetse grijze betonnen platen die zijn kleine achtertuin omzomen. Regelmatig keek hij over de schuttingen en ook daar was het uitzicht eerder kleinschalig en berekend op de vierkante meter die hij zich toebedeelde om zijn wereld vorm te geven.

Alhoewel, je kan met de fiets heel wat rondjes omheen de kerk rijden, wat op zich wel aardig is, maar ver kom je er niet mee. Hierop zou Raveel riposteren: “Waar kan men beter het infiltreren van het moderne leven gewaarworden dan in een dorp op het platteland?” Het antwoord op zijn doeken maakte hem tot één der belangrijkste Belgische kunstenaars van na de  tweede wereldoorlog.

Herinnering aan het sterfbed van mijn moeder

Een naar thema tijdloos werk is ‘Herinnering aan het sterfbed van mijn moeder’.

Aan het bed van een summier weergegeven vrouw zit een man met een licht naar voren neigend hoofd. Er hangt een sfeer van treurnis. Het geheel is samengesteld uit een reeks lijnen, vlakken en vormen die in hun vormelijke eenvoud het tafereel van een sterfbed uitdrukken. Het silhouet van de man is prominent aanwezig en vergroot het contrast met de wegdeemsterende vrouw. Ik vermoed dat hij de vader van de schilder is, herkenbaar aan zijn donkerbruine vest en onafscheidelijke pet. De hand van de stervende is opmerkelijk gedetailleerd weergegeven en vormt een manifest verbindingsteken tussen dood en leven. Het geheel wordt omzoomd door het donkere ledikant en de dikke schuine streep. De sterfkamer is omgevormd tot een geïmproviseerde rouwkapel, gekadreerd door een zwarte band. De schilder heeft een groot wit kantelend vierkant aangebracht. Een vierkant heeft volgens Raveel steeds een “geestelijke geladenheid (…). De cirkel kon de mens afkijken van de zon of de maan, maar het vierkant niet. Het was puur een product van de menselijke geest (…).” Ook in zijn figuratief werk worden abstracte elementen ingelast.  

Vooraan komen twee bedstijlen uit het schilderij. Ze zijn niet geschilderd, maar van echt hout en afkomstig van het authentieke bed. Raveel haalde ze jaren na het overlijden van de zolder in zijn ouderlijk huis vandaan en integreerde ze in dit werk. Eén van de zwenkwieltjes zit nog onder het hout, het andere is zoekgeraakt. Misschien nog te vinden op die zolder in Machelen-aan-de-Leie?

Het hoofd van de vrouw is slechts een profiellijn. We kunnen hier een verwijzing in zien naar  het Griekse  meisje Dibutades. Zij wou haar lief bij zich houden toen deze haar moest verlaten en in het kaarslicht tekende zij daartoe de omlijning van zijn schaduw op de muur.

Meteen was de tekenkunst uitgevonden, in dit geval als vertroosting en poging het vergankelijke vast te leggen. Zo legt ook de contourlijn rond het hoofd van Raveels   moeder vast wat een efemere herinnering zou worden.

Het bed en de vrouw worden etherisch weergegeven.  Naar de man toe verbreedt zich een okergekleurd vlak, een aardse kleur die hem eerder op een akkker plaatst. Ik zie zijn gelaatsuitdrukking niet, maar ik vermoed dat er berusting uit zal spreken. Een landman ziet opkomst en afsterven in zijn dagelijkse omgeving.

Het dorp

Raveel heeft zich nooit ver verwijderd van de mensen uit zijn geboortedorp. Hij gaf het leven aan de Leie weer zoals zijn voorgangers dit nooit gedaan hebben. Eind negentiende eeuw trokken, in het voetspoor van de post-impressionistische grootmeester Emiel Claus, jongere schilders weg uit Gent . Er heersten daar tal van ellendige toestanden als gevolg van de ongebreidelde industrialisatie. De sociale wanverhoudingen waren overduidelijk aanwezig in fabrieken, ateliers en donkere beluiken. Ondertussen werd In de landelijke omgeving van de Leiedorpen een ideale wereld geschilderd in optimistisch, blij stemmend licht. De luministen verlustigden zich in een atmosfeer waarin het elke dag wel feestdag leek, niet in het minst voor de boeren.  Deze schilders wilden het vooral mooi maken want dat zagen de klanten graag aan de muur. De realiteit was uiteraard heel wat anders.  Was het leven van de arbeiders in Gent hard, het bestaan van de arbeiders op het platteland bleek niet minder onbarmhartig. Ook zij moesten zich een schamel inkomen bijeenscharen met hun labeur op akkers en weiden.

Enkele decennia nadien zetten de expressionisten van de latere Latemse School hun bonkige landmensen neer in een nostalgische sfeer, zij het dan dikwijls in camouflerende donkere aardekleuren.  Al waren ze met hun opvallend grote voeten in de grond geplant en zetten ze met schoppen van handen hun hooioppers tegen elkaar, ook deze afbeeldingen  beantwoordden toen aan de idyllisch getinte verwachtingen van de gegoede burgers. Tijdens de tochtjes  op den buiten wou men al eens graag vanuit de calèche een  nobele wilde waarnemen.  

Raveel mocht zijn voorgangers dan wel bewonderen, hij vond ze niet meer bij de tijd en besloot resoluut een eigen weg te volgen. Het ging hem om het streven naar inhoudelijke waarachtigheid in zijn werk. “Het is een dorp aan de Leie,” stelde hij vast, “maar het is echt gebleven. Het heeft niet dat geromantiseerde, dat artistiekerige van andere Leiedorpen. Hier kan het dagelijkse leven nog zijn gang gaan. “  

In de jaren 50 en 60 deed de in zevenmijlslaarzen geschoeide moderniteit haar  intrede. Roland Jooris, de eerste conservator van het Raveelmuseum, schatte de invloed hiervan op Raveels werk als volgt in: “De mensen hier zijn meedogenloos voor de schoonheid van weleer. Ze zijn verlekkerd op beton en plastic, op auto’s en tv. Hij durft de alledaagsheid, banaliteit weer te geven.“ Op zijn doeken dus geen loom kronkelende Leie en haar groene uiterwaarden met doorvoede, immer tevreden koeien. De rekwisieten die hij oppikte waren muurplaten, palen, daken, gevels en dat alles gereduceerd tot eenvoudige geometrische vormen, rechte lijnen en grote vlakken. De kleuren zijn doorgaans levendig en zuiver. In relatie tot dit alles plaatst hij mens en dier. Die picturale taal maakt zijn werken van op afstand zeer herkenbaar.

Tegenstellingen

Raveel werkt met tegenstellingen in kleuren en vormen, de materie en vergeestelijking gaan in mekaar op, in het figuratieve nestelen zich nu en dan abstracte vormen die voor de kunstenaar een welbepaalde betekenis hebben. .

De schilder richt zich op zijn eigen biotoop, vaak begrensd door de geometrische patronen van betonnen platen en palen. Die krijgen vaak een prominente plaats als verticale en horizontale blikvangers.

 Vanuit mijn tuin, 1949

Hij liet het lieflijke, bucolische, “esthetisch-mooie” los om er iets waarheidsgetrouwer voor in de plaats te stellen. Raveel wilde niet vasthouden aan een illusie, maar kijken naar wat hem omringde. En dat was na de tweede wereldoorlog een sterk veranderend landschap geworden, een  verkavelingsvlaanderen. De moderne techniek had de omgeving sterk beïnvloed en een nieuw wereldbeeld geschapen. Veel natuur verdween, de landbouw werd een industrie, met alle weerslag ervan op het landschap.

De kwetsuren die aan het landschap werden aangebracht, zouden ook zijn werk binnendringen.

  Hoogspanning, 1987   | Gekleurde tuin, 1975

Inspiratie

Raveel haalde zijn inspiratie dus uit zijn onmiddellijke omgeving, plaatste daarin zijn ervaringen en gaf er een betekenis aan die het louter lokale ver overstijgt. Een grotere internationale bekendheid was zijn deel geweest indien hij op de golven van de voortschrijdende mondialisering had meegesurft. In zijn dorp vond hij evenwel de hele kosmos op de punt van een naald. Zijn museum ligt dan ook niet toevallig letterlijk onder de kerktoren.

Machelenmolen, 1987

Raveel heeft zijn ganse leven geobserveerd. Wat zie je wanneer je door je raam kijkt, of wanneer je in je tuin staat? Hij gaf de realiteit weer in een plaats zonder merkwaardigheden. De tijd schreed verder en de omgeving veranderde exponentieel. En toch spreekt er poëzie uit zijn werk, maar het is geen poëzie die verhult, verzwijgt of verdraait.

Een verbeelding van een mooi moment in een eenvoudig landschap, 2003

Tussen 1956 en 1963 kende Raveel een abstracte periode. Het zijn net deze werken die nu minder of geen relatie meer lijken te hebben met de zichtbare realiteit die hij nadien en plein air schilderde. “Ik stelde mijn ezel buiten op, in de tuin, en ik schilderde in de natuur, om meer contact te hebben met het leven en om het cerebrale te laten rusten.”

In het werk ‘Mijn tuin in maart met bonenstaken’ bemerken we een aanzet tot abstraheren. Er wordt veel weggelaten en gereduceerd, maar de samenstellende elementen zijn in hun stilering nog goed herkenbaar. De afgeperkte moestuin ligt er kil en kaal bij. Rechtsonder bemerken we het weinige groen dat de winter is doorgekomen. Links een jutten zak met vermoedelijk zaaisel voor het nieuwe seizoen. De constructie van bonenstaken staat klaar om de uit dit zaad gekiemde planten in goede banen te leiden.

(l) Mijn tuin in maart met bonenstaken (ca 1963)
(r) Een dag in de maand maart (1962)

Dit werk is in zekere mate nog letterlijk te lezen.
Dat is heel wat minder het geval in het schilderij ‘Een dag in de maand maart’.

Hier zijn het uitsluitend de kleuren die het blauw-ijzige van maart oproepen. Na de altijd te lang durende winter steken we de neus buiten op zoek naar een eerste belofte van een vroege lente. De vorst zit nog in de lucht en de grond, en we klampen ons vast aan elk tufje groen in het vooruitzicht dat het nu vlug de goede kant op zal gaan. Het staat de kijker vrij er een persoonlijke zintuiglijke ervaring van te maken.

Raveels werk ligt in het logische verlengde van zijn voorgangers. Hij keek goed naar zijn onmiddellijke omgeving en zag hoe snel deze veranderde. En hoe meer hij observeerde hoe verder hij zich in zijn werk verwijderde van wie voorafging. Hij had respect voor hun métier, maar hun esthetische kijk zou niet de zijne worden.

Vanuit de logica van thesis en anti-thesis vloeien de verschillende schilderstromingen uit elkaar voort. Op deze altijd wisselende beweging ervaart een onbevangen toeschouwer een zich steeds vernieuwend esthetisch genoegen.


‘Zien, denken, schilderen’ in het Raveelmuseum (van 28/3 tot 18/7), ‘Retrospectieve’ in Bozar (18/3 tot 21/7) en ‘De schilderklas van Roger Raveel’ in het Museum van Deinze en de Leiestreek (van 12/3 tot 6/6)

Author: André Degeest

Share This Post On

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op

X