‘Op 28 december 2024 plaatste Koen Broucke bij mij een bestelling. Zo stond het letterlijk in zijn bericht: een bestelling. Ik heb geen winkel en ik had nog nooit een bestelling gehad. Maar het toverwoord “detective” viel en de bestelling was beklonken. Het had iets Elsschotiaans. Dat de bestelling uit de Villa des Roses was gekomen, Koens kunstenaarshuis in Waulsort, daagde mij pas later. De volgende dagen werd grondstof aangeleverd. Mijn harde schijf werd gestoffeerd met artikels over Brouckes oeuvre en mijn bibliotheek met Brouckes boeken. En tegelijk kwam het mailverkeer op gang. Ik moest inzicht krijgen in zijn werkmethode.’
Queeste
Bovenstaand citaat van Annick Lesage, auteur en podcastmaker bij Klara, is geplukt uit het eerste hoofdstuk van haar boek Koen Broucke. De kunstenaar die detective wilde zijn. Dat boek verscheen naar aanleiding van de gelijknamige solotentoonstelling en het artistieke onderzoeksproject van de kunstenaar in de Gentse Sint-Pietersabdij, die van start ging op 2 april 2026 en nog loopt tot 27 september.
Het is niet helemaal duidelijk welke bestelling – tegen betaling? – Koen Broucke (Sint-Amandsberg, 1965) precies plaatste bij Lesage: de teksten schrijven van een tentoonstellingscatalogus of verslag doen van een gezamenlijke queeste naar de roof van het gestolen paneel De rechtvaardige rechters van Jan Van Eyck. Vaststaat dat Lesage Broucke gedurende een jaar gevolgd en beschreven heeft in functie van zijn zoektocht, die voor hem het perfecte alibi vormde om nieuwe kunstwerken te creëren. Beiden (ver)dwaalden samen in crypten en oude ruïnes, archieven, veilinghuizen en bibliotheken. Laverend tussen intuïtie, humor en bloedige ernst speurden ze naar verbanden. De cruciale vraag daarbij was: wat is echt en wat is vals? Een vraag die Broucke, die ook historicus is, zeer ter harte nam.
Zoekplaat
Tegelijk volgde Lesage het ontstaan van het monumentale anti-oorlogsschilderij Mijn Guernica (4 bij 6,5 meter), Brouckes versie van Picasso’s beroemdste werk. Hij begon eraan in de zomer van 2025 tijdens een residentie in de Gentse Sint-Baafsabdij als voorbereiding op zijn solotentoonstelling, en voltooide het werk in de refter van de Sint-Pietersabdij. Picasso schilderde zijn Guernica (3,49 bij 7,76 meter) uit protest tegen de verwoesting van de historische Baskische stad op 26 april 1937. De Duitse Luftwaffe en de Italiaanse luchtmacht voerden toen een strategisch bombardement uit op de weerloze burgerbevolking, waarbij honderden onschuldigen om het leven kwamen – een grove daad van onrechtvaardigheid.
Op het eerste gezicht is er geen enkele link tussen Picasso’s meesterwerk en Brouckes versie ervan, die een reusachtige zoekplaat vormt met verwijzingen naar onder meer Het Lam Gods, de tragedie in Gaza en Brouckes speurtocht naar De rechtvaardige rechters. Toch is die er. Broucke in een televisie-interview: ‘Tweeënnegentig jaar geleden zijn De rechtvaardige rechters gestolen. Natuurlijk fixeert iedereen zich op dat materieel paneel. Maar je zou ook kunnen denken: waar is, spiritueel, de rechtvaardigheid naartoe? We hebben echt nood aan een heropstanding van de rechtvaardige rechters.’
Kunstenaar-detective
Broucke ontpopte zich gedurende een jaar tot kunstenaar-detective, een rol die hij niet voor het eerst vervulde. We denken dan in het bijzonder aan de moord op de Boechoutse kunstschilder en keramist Jan Cockx (1891-1976), die op een zomeravond werd doodgeschoten terwijl hij in de keuken van zijn woning een kunstboek aan het doorbladeren was – Broucke woonde en werkte zelf jarenlang in de Antwerpse gemeente. Tot vandaag is het nog altijd tasten naar het motief van de moord en naar de identiteit van de dader. Broucke verdiepte zich samen met de gerechtelijke politie een tijd lang in de moord zonder een stap dichter bij de opheldering ervan te komen. In 2010 publiceerde hij samen met Kevin De Belder, Norbert Poulain en Koen Verstraeten het boek Jan Cockx (1891-1976). Een vrolijke kabouter die tragisch eindigt, en maakte hij geschilderde reconstructies van enkele van Cockx’ werken waarvan nog zwart-witfoto’s bleken te bestaan.
Een groot deel van Cockx’ oeuvre ging verloren tijdens het bombardement op Mortsel in de Tweede Wereldoorlog – Cockx had er zijn atelier. Nog in 2010 stelde de gemeente Boechout Broucke aan als curator van een retrospectieve tentoonstelling die een hommage aan de kunstenaar zou brengen. Cockx was immers niet de eerste de beste: beïnvloed door het fauvisme, was hij een belangrijke vertegenwoordiger van de avant-garde in het interbellum – hij beoefende in die tijd de kubistische abstractie –, samen met kunstenaars en schrijvers als Felix De Boeck, Jozef Peeters, Paul Joostens en Paul van Ostaijen, die hij tot zijn vrienden mocht rekenen. Hij maakte toen ook ontwerpen voor meubels, tapijten en interieurs en begon als keramist. Hierin was hij een pionier. Hij werd de eerste zelfstandige keramist van België genoemd. Gaandeweg evolueerde zijn schilderkunst van het abstracte naar het figuratieve. Van een avant-gardist werd hij uiteindelijk een zondagsschilder.

Koen Broucke, De tafel van de kunstenaar-detective, naar Jules De Bruycker (D’une fenêtre, 1932), olieverf op doek, 2025.
©Koen Broucke
Ritselende rokken
Koen Broucke is niet de eerste kunstenaar-detective in de Belgische kunstwereld. Lang voor hem voldeed de Gentse tekenaar, aquarellist en etser Jules De Bruycker (1870-1945) ook al aan die omschrijving. Lesage maakt er in De kunstenaar die detective wilde zijn melding van: ‘In de namiddag van 26 maart 2025 stuurt Koen Broucke me vanuit het Museum voor Schone Kunsten in Gent een paar foto’s. Daar wordt de tentoonstelling van de Gentse kunstenaar Jules De Bruycker gehouden. En dan volgt het bericht: “Misschien moet je een vergrootglas meenemen naar het MSK. Ik kon het niet zo goed zien, maar heb de indruk dat de figuur rechts een paneel draagt.” De volgende ochtend rep ik me naar het museum. (…) Ik begrijp waarom Brouckes interesse is gewekt. De tekening dateert van 1935. Ze verbeeldt een scène in de Kapittelstraat (voorheen Sint-Baafsstraat) en die straat grenst aan de Sint-Baafskathedraal, waar in de nacht van 10 op 11 april 1934 het paneel De rechtvaardige rechters werd gestolen. De Bruycker presenteert hier een merkwaardig tafereel. Een nerveus figuurtje lijkt een deur binnen te schieten terwijl hij wordt bespied door drie gedaanten in zwarte soutane. Maar met behulp van een vergrootglas kun je zien dat hij niet met een paneel aan de haal gaat. Het is een opgerold doek. Dat strookt beslist niet met de feiten. Het Lam Gods is op eikenhout geschilderd. En toch is er iets gaande dat het daglicht niet kan verdragen. (…) Nog raadselachtiger wordt het wanneer blijkt dat Jules De Bruycker nog meer van dat soort etsen heeft gemaakt. Altijd een combinatie van de volgende elementen: een donkere steeg in de schaduw van een kerk en de ritselende rokken van geestelijken. Kortom, een heimelijk sfeertje. En warempel: op twee van die etsen vlucht het gejaagde mannetje écht weg, met een paneel op de rug bovendien. (…) Zou het kunnen dat De Bruycker hier de beroemdste diefstal uit de kunstgeschiedenis vastlegt? Misschien was hij wel getuige. Dat zou wereldnieuws kunnen zijn.’ (Opmerking van de schrijver-detective in ons: eerst schrijft Lesage over een tekening van De Bruycker, daarna heeft ze het over het feit dat de kunstenaar ‘nog meer van dat soort etsen heeft gemaakt’…)
Goedertier(en)
De vermeende vondst van Broucke en Lesage liep op een teleurstelling uit: beide etsen dateren van 1932. Dat is twee jaar voor de feiten. Voor Broucke was het evenwel voldoende aanleiding om in de geest van De Bruycker enkele olieverfschilderijen te maken, die zowel in het boek als in de tentoonstelling te zien zijn. Dankzij het werk van de Antwerpse kunstenaar-detective Hilda Leynen (1922-1997) kwamen Broucke en Lesage er ook achter dat de naam van de vermeende dief – Arsène Goedertier – al twee dagen na de diefstal werd vernoemd in een oproep in Het Laatste Nieuws: ‘Geve de schilderijendief ons onze Rechtvaardige Rechters zeer gauw terug, liever vandaag dan morgen. Misschien zullen zij in hun rechtvaardigheid alles begrijpen wat hem deed handelen, en goedertieren zijn jegens hem.’
Als je zoiets leest, dan begrijp je onmiddellijk dat amateurspeurders zoals Broucke en Lesage gaandeweg spoken zien en toeval beschouwen als opzet. Beiden zijn zich daar ook van bewust. Naar aanleiding van ‘valse’ Van Gogh-schetsen die Broucke maakte en die hij signeerde en dateerde met zo goed als onzichtbaar citroengeel potlood, noteert Lesage: ‘We zochten alleen nog maar naar “geel”. Het kwam zover dat ik citroengeel droomde en nog erger: de indruk kreeg dat het niet uitsluitend meer een kwestie was van zoeken. Er circuleerde beslist meer geel dan voorheen.’

Koen Broucke, De kunstenaar-detective, olie op geprepareerd papier en olie op doek, 2025. © Koen Broucke
Arsène Lupin
Om terug te komen op Arsène Goedertier: ook hij was een kunstenaar-detective. Als kunstenaar was hij een goede portretschilder – in het gemeentehuis van Wetteren hangt nog steeds zijn in 1912 geschilderde staatsieportret van Jean-Baptiste Van de Velde, commandant van de Burgerwacht in Wetteren, maar uitzonderlijk is het nu tijdelijk in Brouckes tentoonstelling te zien. Als detective was hij een groot liefhebber van detectiveromans, vooral die van de Franse schrijver Maurice Leblanc waarin de gentleman-dief Arsène Lupin als hoofdfiguur voorkomt. Van Goedertier is bekend dat hij enkele onopgeloste misdaadzaken probeerde uit te klaren, zoals die van de moord op het achtjarige Brusselse meisje Jeanne Van Calck in 1906, een van de meest geruchtmakende Belgische moordzaken uit het begin van de twintigste eeuw. Goedertier faalde in zijn opzet en zijn onderzoek leverde geen algemeen aanvaarde identificatie van de dader op.
Tussen haakjes: Annick Lesage mag dan geen beeldend kunstenaar zijn, dat neemt niet weg dat ze een uitstekend schrijver-detective is. Zo beet ze zich enkele jaren geleden vast in een historisch-literair mysterie: wie was de echte Monsieur Hawarden? Haar onderzoek verscheen in 2024 als een omvangrijk dossier bij de nieuwe editie van de gelijknamige novelle van de Vlaamse auteur Filip De Pillecyn (1891-1962), die oorspronkelijk in 1935 verscheen en op een ware gebeurtenis in de Belgische Eifelstreek is gebaseerd. In die uitgave neemt Lesages onderzoek zelfs meer ruimte in dan de novelle. Lesage was als detective succesvoller dan de onbeholpen Goedertier: zij slaagde erin de ware identiteit van Monsieur Hawarden te achterhalen.
Onmogelijke combinatie
Terug naar de tentoonstelling. De kern van Koen Brouckes oeuvre komt hierop neer dat hij enerzijds verzonnen kunstenaars in het leven roept en anderzijds in de huid kruipt van bestaande kunstenaars. In de expo en in het bijbehorende boek concentreert Broucke zich op de tweede categorie, met als surplus dat hij ook de gedaante aanneemt van een detective. Passeren onder meer de revue: de eerder genoemde kunstenaars Jan van Eyck, Jules De Bruycker, Vincent van Gogh en Picasso. Naar aanleiding van het onderzoek naar het gestolen paneel De rechtvaardige rechters heeft Broucke tal van tekeningen en schilderijen gemaakt in de geest van hun werk, alsook werken die illustratief zijn voor de zoektocht die hij samen met Annick Lesage ondernam. Bij elke stap in hun onderzoek maakte hij een picturale stand van zaken op, ook in de vorm van ‘tussentijdse collages’ – een handige methode om het overzicht te bewaren, en, ‘wie weet, om plots een nieuw verband te ontdekken’.
Tegenover de titelpagina van De kunstenaar die detective wilde zijn staat een citaat van Broucke: ‘Ik denk dat het centraal gegeven in mijn werk historisch onderzoek en reconstructie is. En ook zoeken naar absolute, romantische schoonheid. En dan natuurlijk de onmogelijke combinatie van beide.’ Dat citaat staat er niet zomaar. Meer nog: het kan als motto gelden voor Brouckes werk. Wat dat betreft had hij de frase ‘Ik denk dat’ gerust mogen schrappen. Historisch onderzoek en reconstructie ís het centraal gegeven in zijn werk. Alleen moet dat historisch onderzoek met een korreltje zout worden genomen, want Broucke neemt graag een loopje met de werkelijkheid. Zo stelde hij onder de titel De gevonden geschiedenis ooit zijn familiegeschiedenis te boek in de vorm van een verslag van ‘tweeëndertig generaties Brouckes’ – een ‘samengaan van onderzoek en verbeelden’. Op de gelijknamige tentoonstelling in de Brugse Stadsschouwburg in 2004 toonde hij, naast een selectie van origineel werk op papier, in vitrinekasten boedelbeschrijvingen, parochieregisters, doodsprentjes, kieslijsten en meer van dergelijke stukken uit de ambtelijke en kerkelijke administratie die het officiële bestaan van zijn voorouders moesten bewijzen. Daarmee verleende Broucke het project niet alleen een documentair, maar ook een wetenschappelijk karakter, dat de echtheid van het geheel nog moest benadrukken.


Koen Broucke, Harlekijn, naar Pablo Picasso, olie op doek, 2025.
Koen Broucke, voorstudie Mijn Guernica, Arsène Goedertier.
© Koen Broucke
Valse stambomen
Had Broucke de lezer er in zijn inleiding van De gevonden geschiedenis niet op gewezen dat de feiten in zwarte en de verzonnen elementen in grijze inkt zijn weergegeven, dan had de tekst zo voor een ‘geniale genealogische vervalsing’ kunnen doorgaan waar niemand zich vragen bij had gesteld. Nu liet hij er ter verduidelijking een essay bij afdrukken van historicus Marc Jacobs, waarin die stelt dat stambomen in het verleden niet zelden werden vervalst om aan te tonen dat men afstamde van adellijk volk, of werden ingezet als ‘een vorm van spitstechnologie om discontinuïteit aan te pakken’.Broucke appelleert dan ook ‘aan een impliciete kritische vaardigheid en zin voor relativering bij de toeschouwer (…), die een glimlach ontlokt, de glimlach van een plots inzicht’. De opname van bijlagen, fotoreeksen, een notenapparaat, een lijst van afkortingen en een bibliografie zetten het zogenaamde wetenschappelijke karakter van de tekst nog eens extra in de verf. Ironisch is dat ze samen meer bladzijden in beslag nemen dan de eigenlijke familiegeschiedenis – denk in dat verband ook aan Lesages dossier over Monsieur Hawarden.
Een extra reden om Brouckes voorgeschiedenis niet helemaal ernstig op te vatten, zijn de vele vormen van humor waarmee hij zijn tekst op gezette tijden doorspekt. Hilarische zinnen als ‘Omdat we in de zestiende eeuw geen Brouckes vinden, sleuren we er maar een Vanden Broucke bij om de eeuw door te raken’, spreken wat dat betreft boekdelen. Hetzelfde geldt voor het katern van zestien pagina’s op glanzend papier waarmee De gevonden geschiedenis eindigt. Op elke pagina is een schilderij van Broucke te zien, gemaakt bij een specifiek fragment uit zijn voorgeschiedenis, dat onderaan de pagina te lezen staat. Het katern opent met het volgende fragment: ‘De eerste man in de geschiedenis in wie we onze fijne en edele trekken herkennen is Hugone de Broco. Hij wordt door Karel de Flou gesitueerd in 1218 als kanunnik in Kassel, in het huidige Frans-Vlaanderen.’ Ook in zijn andere verzonnen kunstenaarslevens maakt Broucke geregeld gebruik van de ironie, de pastiche en de slapstick om de schijnbare ernst waaronder ze gebukt gaan te ondergraven.
Mystificatie
De kunstenaar die detective wilde zijn bevat achteraan ook een beeldkatern van zestien pagina’s met ‘reproducties’ van Broucke. Merkwaardig is dat het katern begint met de griezelig echt uitziende titelpagina van een boek van een zekere A. Goedertier: Cachettes dans la cathédrale Saint Bavon à Gand et alentours, uitgegeven in 1931 te Gent door A. Siffer. Op de volgende pagina staat een tekst van Broucke waarin hij verhaalt over de ontdekking van het boek in een veilinghuis, ‘waarvan we de naam liever niet noemen’. Broucke: ‘Ondanks het ontbrekende tekstgedeelte konden we de meeste beelden identificeren: de Sint-Baafskathedraal zelf, de muur en de tuin van het Bisschoppelijk paleis, de crypte van de kathedraal, gangen en ruimtes in het Pand en ten slotte een vreemde kachel naast een heiligenbeeld, wellicht in de crypte van de Sint-Michielskerk. (…) De prijs van het lot schoot de hoogte in en we hebben het unieke boekfragment van Arsène Goedertier moeten overlaten aan een meer kapitaalkrachtige en helaas anonieme koper. Hieronder volgt een reconstructie van het beeldkatern dat we toen te zien kregen.’ Waarop zestien reconstructies van Broucke volgen van ‘echte’ werken van Goedertier, te lezen als: reconstructies van werken die nooit hebben bestaan.
Opnieuw een typisch geval van mystificatie door de kunstenaar, die werkelijkheid en schijn met elkaar vermengt. Zo heeft uitgever A. Siffer werkelijk bestaan, net zoals Karel de Flou in De gevonden geschiedenis. Alfons Siffer (1850-1941) was een bekende Belgische drukker, uitgever, katholiek politicus en Vlaams beweger die actief was in Gent. Hij was tevens medestichter van het Davidsfonds. Zijn drukkerij-uitgeverij was onder meer gevestigd aan de Hoogpoort en het Sint-Baafsplein. Als uitgever gaf hij het tijdschrift Het Belfort uit, dat in 1900 een fusie aanging met het tijdschrift Dietsche Warande en vanaf dan als Dietsche Warande & Belfort door het leven ging. Ook drukte Siffer werken voor de Koninklijke Vlaamsche Academie.
Brouckes reconstructies kunnen als artistieke toe-eigeningen of ‘appropriations’ worden beschouwd. Het nieuwe werk zegt dan eigenlijk: dit is niet het oorspronkelijke beeld, maar mijn poging om het opnieuw zichtbaar te maken. Broucke hanteert dat procedé herhaaldelijk in zijn werk.


Koen Broucke, werkend aan Mijn Guernica, Sint-Baafsabdij Gent, 2025. © foto: Shalan Alhamwy
Koen Broucke, De rechtvaardige rechters in de vlammen, olie op geprepareerd karton, 2025. © Koen Broucke.
Puzzelstukje
Kunstenaarslevens verzinnen en die verzinsels vervolgens uitwerken in geschriften, tekeningen, schilderijen, aquarellen, installaties, maquettes, objecten, performances, video’s, dat is wat Koen Broucke nu al sinds ongeveer 1997 doet. De kunstenaar wil ermee aantonen dat het biografische genre net zo goed vatbaar is voor halve waarheden en hele leugens dan eender welk ander tekstgenre. Dat alles met andere woorden te manipuleren is en dat het resultaat ervan niet noodzakelijk leidt tot een minder waarheidsgetrouw beeld dan de waarheid zelf, waaruit die ook mag bestaan. Hij vat het genre voorts op als een unieke mogelijkheid om kritische kanttekeningen te plaatsen bij thema’s als identiteit en (historische) waarheid.
Broucke giet zijn fictieve kunstenaarslevens bij voorkeur in de vorm van geïllustreerde verhalen, die hij vervolgens in tijdschriften of in boekvorm laat verschijnen en waarrond hij meestal ook nog eens tentoonstellingen samenstelt. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn Het oeuvre van Hugues Bijvoet en Henrietje Tuf-tuf of de naftemaker. Met Hugues Bijvoet riep hij een kunstenaar in het leven van wie het oeuvre na zijn ongelukkige dood onvindbaar blijkt. Er rest van hem nog slechts ‘een stukje uit een puzzel van één van zijn werken’. Aan de hand hiervan probeert Olga Panmans, een door Broucke verzonnen kunsthistorica, het leven en werk van de kunstenaar te reconstrueren. Op de tentoonstelling rond deze merkwaardige figuur stalde Broucke dit ‘authentieke’ puzzelstukje samen met andere spullen die Bijvoet zogezegd hebben toebehoord uit in een vitrine, waardoor het de glans van iets unieks en kostbaars kreeg.
Orale traditie
Henrietje Tuf-tuf is een Zeebrugse eenzaat die in een zelfgebouwde barak woont, omringd door zijn artistiekerige uitvindingen, waaronder een enorme zaagmachine die een tuf-tuf-geluid maakt als ze middels een vliegwiel wordt aangezet. Met zijn levensverhaal, uitgegeven in de vorm van een ruim honderd pagina’s tellend boekje, geïllustreerd met tientallen gewassen inkttekeningen, is Broucke in tegenstelling met Hugues Bijvoet uitgegaan van de bestaande figuur Henricus De Clerck (1872-1954), over wie hij talloze getuigenissen heeft verzameld. Vaak blijkt daaruit niet duidelijk of het om verzinsels, inbeelding of door de tijd verkleurde herinneringen gaat. Broucke is zich als historicus van dat gevaar bewust en tekent er het volgende over op: ‘Ik laat de tegenstrijdigheden bestaan. Dikwijls zullen ze na elkaar geciteerd worden. Ik poog niet om de waarheid van de verdichting te scheiden.’
Waar het Broucke in zijn kunstenaarslevens om gaat, is het verhaal, de kunst van het vertellen, ‘een orale traditie, die ver teruggaat, tot ver voor het christendom’. Die fascinatie voor het verhaal is een leidmotief in Henrietje Tuf-tuf. Over Victor Gijsbrecht, een van zijn getuigen en auteur van enkele boeken over Zeebrugge, noteert hij tussen de getuigenissen door bijvoorbeeld dit: ‘Victor Gijsbrecht doet de traditie eer aan. Hij is een meesterlijk verteller, de bard van Zeebrugge. Graag breng ik hem hier hulde.’ Dat Gijsbrechts herinneringen door andere getuigen in twijfel worden getrokken (‘… van oudere personen had hij dat allemaal doorgekregen en genoteerd, maar hij liet dat overkomen alsof hij dat zelf allemaal meegemaakt had’) kan Broucke niet deren, want ‘zijn boeken zijn pareltjes van vertelkunst’. Het gaat de kunstenaar met andere woorden niet om twijfelachtige begrippen als waarheid of leugen bij het (re)construeren van zijn kunstenaarslevens, maar om het waarachtige van de verhalen die eruit voortvloeien en om de gevoelens die ze oproepen – tegengif voor al het geestdodende dat hem en ons bedreigt en waartegen het elke dag opnieuw weer opboksen is.
Onmogelijke combinatie
Tegenover historisch onderzoek en reconstructie in Brouckes werk staat zijn zoektocht of verlangen naar absolute, romantische schoonheid. Maar wat dient daaronder precies begrepen te worden? Dat de kunstenaar idyllische landschappen schildert in de trant van negentiende-eeuwse romantische schilders als Caspar David Friedrich, Eugène Delacroix, William Turner of Andreas Schelfhout? Geenszins. Als hij dat zou doen, zou hij trouwens een postromantisch schilder genoemd worden, en dat is niet het geval. Dat neemt niet weg dat tal van Brouckes werken op doek en papier eigenschappen gemeen hebben met die van de oorspronkelijke romantici. Stilistisch en technisch ogen zijn composities vaak wild en theatraal, met losse en expressieve penseelstreken, sterke licht-donkercontrasten en een voorkeur voor kleur boven lijn. Zijn landschappen zien er niet uit als neutrale weergaven van de werkelijkheid, maar als stemmingen. Dat uit zich in werken die zich ergens tussen werkelijkheid en herinnering bevinden. Broucke sluit daarmee aan bij een klassieke romantische opvatting, namelijk dat het zichtbare landschap een spiegel wordt van een innerlijke ervaring.
Voor Broucke heeft het begrip ‘romantisch’ weinig te maken met wat bekoorlijk of sentimenteel is. Hij poogt eerder iets uit het verleden opnieuw aanwezig te maken. Zijn historische belangstelling is daarbij essentieel. Broucke is niet alleen schilder, maar ook een historicus die archiefonderzoek, reconstructie, wandelingen en historische bronnen inzet als artistieke methoden. Als hij een landschap schildert, dan is dat zelden een ‘gewoon’ landschap, maar veeleer een drager van herinneringen en historische associaties. En als er al plaatsnamen voorkomen in zijn titels, doen ze eerder dienst als geheugensteuntje. Je zou dan ook kunnen stellen dat de historicus in hem zijn verlangen naar romantische schoonheid in de weg staat. Broucke beseft dat het verleden niet werkelijk teruggebracht kan worden, maar precies die spanning tussen reconstructie en verbeelding, tussen feit en verlangen, geschiedenis en schoonheid maakt zijn werk zo interessant. Daarom ook is de formulering ‘de onmogelijke combinatie’ er zo toepasselijk op: historisch onderzoek probeert de werkelijkheid te achterhalen, romantische schoonheid probeert een ervaring vast te leggen van wat zich juist aan rationele reconstructie onttrekt.

Koen Broucke, Voorstudie Mijn Guernica, acryl en olie op doek, 2025. © Koen Broucke
Whodunit
De manier waarop Koen Broucke nu al tientallen jaren onverdroten op zoek gaat naar die onmogelijke combinatie, maakt van hem een van de meest interessante en fascinerende hedendaagse Belgische kunstenaars. Een tentoonstelling van hem bezoeken is als genieten van alle attracties in een pretpark, ook de meest duizelingwekkende. Zo hebben wij tenminste zijn tentoonstelling in de Gentse Sint-Pietersabdij ervaren: als een uitermate spannende literaire en visuele whodunit. En wat het bijbehorende boek betreft: dat brengt op een uiterst poëtische manier de mogelijke schuilplaatsen in kaart die Arsène Goedertier in de historische binnenstad van Gent gebruikt zou kunnen hebben om De rechtvaardige rechters te verbergen.
Blijft natuurlijk de vraag of Broucke en Annick Lesage er tijdens hun onderzoek in geslaagd zijn te achterhalen waar of bij wie het paneel zich bevindt. Ze reiken daartoe twee mogelijke oplossingen aan. Om uit te maken welke dat zijn, lees je best eerst het boek, om daarna de tentoonstelling te bezoeken. Besef wel dat het beiden eerst en vooral ging om de romantiek en de schoonheid van het zoeken, de scherpte van het kijken en het plezier van verbanden leggen, eerder dan om de oplossing te vinden van het raadsel dat velen al 92 jaar in de ban houdt.
De expo De kunstenaar die detective wilde zijn loopt noh tot 27 september in de SInt Pieters abdij Gent. Klik hier voor alle info.

Annick Lesage: Koen Broucke. De kunstenaar die detective wilde zijn. Galmaarden: Artha, 2026, hardcover, 192 blz., € 38, 26,6 x 21,7 cm, ISBN 978 94 64368 34 5.
Het boek is verkrijgbaar of te bestellen in elke boekhandel. Het is ook te koop in de Sint-Pietersabdij.







- Koen Broucke: in het spoor van Arsène Goedertier - augustus 20, 2026
- ‘De deur op een kier’: interieurs en stillevens van Léon Spilliaert - juli 30, 2026
- ‘Up Close’ met fotograaf en filmer Ed van der Elsken - juli 17, 2026




augustus 22, 2026
Knappe ode aan Koen 👌👏
augustus 22, 2026
Bedankt, Paul!
augustus 22, 2026
Met bijzonder veel graagte en interesse gelezen amigo
augustus 22, 2026
Bedankt, Benny. In 2005 schreef ik mijn eerste artikel over Koen. Vandaag blijf ik hem nog steeds een uiterst interessante en fascinerende kunstenaar vinden.