Valerius de Saedeleer & Co in Etikhove, een kunstenaarsdorp in de Vlaamse Ardennen

Recent verscheen van literatuurhistoricus en cultuurwetenschapper Stefan van den Bossche het boek Etikhove 1925-1930. Een cultuurgeschiedenis. Van den Bossche is al decennia een erg productieve recensent, essayist en biograaf. Hij schreef onder meer de biografieën van Jan van Nijlen en Herman Teirlinck. Voor die laatste ontving hij veel lof van wijlen Jeroen Brouwers. Daarnaast publiceerde hij ook studies over artistieke verkenningen in literair-historisch perspectief en over prerafaëlitische sporen in de Belgische kunst en literatuur. Hij is als weinig anderen bij ons een groot kenner van de Vlaamse literatuur en beeldende kunst tijdens het interbellum, de periode tussen beide wereldoorlogen. Met Etikhove 1925-1930. Een cultuurgeschiedenis heeft hij, na vijf jaar onderzoek, opnieuw een uiterst gedetailleerde studie gepubliceerd, ditmaal over een kunstenaarsdorp in de Vlaamse Ardennen rond schilder Valerius de Saedeleer.

Café Bij Sjuule

Dat die schrijfarbeid geen simpele klus was, geeft Van den Bossche zelf toe in de inleiding van zijn boek: ‘Het is geen sinecure om een boek te schrijven over een cultureel en kunsthistorisch fenomeen dat zich in de tweede helft van de jaren 20 van de vorige eeuw heeft aangediend. Als dat fenomeen bovendien een samenspel blijkt van talloze feiten en feitjes én van een omvangrijke reeks belangrijke personen uit de kunst- en cultuurwereld, wordt het er niet gemakkelijker op.’ (p. 17) Om die stelling nog meer kracht bij te zetten, citeert de auteur de beroemde Zwitserse theoloog en cultuurhistoricus Jacob Burckhardt, die in 1860 schreef: ‘De meest essentiële moeilijkheid voor de cultuurgeschiedenis is dat ze een groot geestelijk continuüm moet ontleden in afzonderlijke, vaak schijnbaar willekeurige categorieën om er althans een enigszins bevredigend beeld van op te bouwen.’ (p. 10)

Valerius de Saedeleer, Wikimedia Commons
Ramah, ‘Paul Gustave van Hecke’, collectie KMSKA, artinflanders.be, foto: Hugo Maertens, public domain

Van den Bossche begint zijn verhaal met muurschilderingen van de kunstenaars Paul Haesaerts (1901-1974) en Ramah (ps. van Henri-François Raemaeker, 1887-1947) die in 1972 werden ontdekt achter oud bloemetjesbehang in café Bij Sjuule te Etikhove. Het café heette oorspronkelijk In den Leeuw van Vlaanderen, maar werd in 1926 onder invloed van Franstalige, ‘min of meer artistieke kostgangers’ omgedoopt tot Auberge De Vos. De persbelangstelling die daarop volgde was niet gering. Zelfs de toenmalige BRT stuurde radio- en televisiemensen naar een inderhaast geïmproviseerde persconferentie in wat niet meer was dan een gewoon café, ‘grauw en niet eens netjes, waar dorstige dorpelingen aan de tapkast kwamen hangen’. Ondervraagd door journalisten, herinnerden oude dorpsbewoners zich namen van kunstenaars en schrijvers die in de jaren 1925-1930 Etikhove frequenteerden. Onder hen Jean Milo, Paul Maas, Marc Chagall en Paul van Ostaijen. Maar ook politicus Paul-Henri Spaak en de Bengaalse Nobelprijswinnaar voor literatuur Rabindranath Tagore vereerden het dorp met een bezoek, vaak met overnachting. Daartoe konden ze terecht in In den Leeuw van Vlaanderen, waar kamers verhuurd werden. In 1986 werd het gebouw verkocht en werden de muurschilderingen verwijderd, ‘te wijten aan menselijke onwetendheid’. Wél bewaard (in de collectie van de gemeente Maarkedal, waartoe Etikhove behoort) is het door Ramah in 1927 geschilderde uithangbord van Auberge De Vos.

Weefatelier

Valerius de Saedeleer (Aalst, 1867 – Oudenaarde, 1941), een van de kopstukken van de eerste Latemse School, vestigde zich in 1921 met zijn gezin in de villa Tynlon, ‘een sprookjesachtige woonst boven op de pittoreske Bossenareheuvel’ te Etikhove. Zijn aanwezigheid zou er in de kunst- en literatuurgeschiedenis niet onopgemerkt voorbijgaan. Hij beleefde er, in een libertaire geest, de meest intense periode van zijn kunstenaarsbestaan. Vanaf 1925 kwamen binnen- en buitenlandse vrienden bij hem op bezoek, onder wie de Japans-Franse schilder Tsuguhara Foujita, de Nederlandse schilder Jan Sluijters, architect Henry van de Velde, de Franse schilders Maurice de Vlaminck en André Lhote, en verder schilders als Edgard Tytgat, Ferdinand Schirren, Georges Creten, Edgard Gevaert en Albert Servaes, de beeldhouwers Geo Verbanck, George Minne, Charles Leplae en Ossip Zadkine, de schrijvers Stijn Streuvels en Felix Timmermans, en de publicist André de Ridder. Een bijzondere vermelding verdient de schilder Leo Piron (1899-1962), die in 1926 huwde met Marie-Jozef, een van de vijf dochters van De Saedeleer.

Niet alleen om De Saedeleer zelf oefende de villa Tynlon een grote aantrekkingskracht uit op kunstenaars, een andere reden was het weefatelier Société de Tapis d’Art De Saedeleer et Cie (later omgedoopt tot Studio De Saedeleer), dat in een bijgebouwtje van de villa gevestigd was en onder leiding stond van Elisabeth de Saedeleer, de tweede dochter van de schilder. Maar daarvoor moeten we even terug in de tijd. Bij het uitbarsten van de Eerste Wereldoorlog sloegen honderdduizenden Belgen op de vlucht: het grootste deel naar het neutrale Nederland, een ander deel richting Groot-Brittannië. Via Zeeuws-Vlaanderen kwam Valerius de Saedeleer met zijn gezin uiteindelijk in Wales terecht, in het dorpje Rhyd-y-Felin, waar ze dankzij het mecenaat van de zussen Gwendoline en Margaret Davies een comfortabel huis konden betrekken. De zussen beoogden een culturele heropleving van hun regio en droomden onder meer hardop van een museum voor Arts and Crafts. De Saedeleers oudste dochters Maria en Elisabeth volgden met de financiële steun van de zussen Davies een opleiding aan de London School of Weaving. Ze kwamen er in contact met de opvattingen van de Arts-and-Craftsbeweging van William Morris (1834-1896), een gedreven voorstander van een terugkeer naar het zuivere handwerk, en kregen er les van diens dochter Mary.

Terug in België liet De Saedeleer een weefatelier inrichten in een bijgebouw van zijn villa, waar de zussen De Saedeleer aan de slag gingen met hun eigen ontwerpen en met die van hun vader. Dat ze daarmee de nodige faam verwierven, bewijst het feit dat architect Henry van de Velde, oprichter – in 1926 – en toenmalig directeur van het Hoger Instituut voor Sierkunsten Ter Kameren te Brussel, in 1927 aan Elisabeth vroeg de leiding op zich te nemen van het Atelier Weef- en Tapijtweefkunst. Ze aanvaardde zijn voorstel, verhuisde naar Brussel en gaf er vijftien jaar les als docente Textielkunst. De verhuis naar Brussel bracht onvermijdelijk met zich mee dat ook daar weefgetouwen moesten worden opgesteld. Dat gebeurde in de Koninklijke Sinte-Mariastraat 105 te Schaarbeek.

Villa Tynlon in 2018, Wikimedia Commons

Uitgepuurde landschappen

In Etikhove beleefde De Saedeleer zijn productiefste periode, waarbij hij steeds nadrukkelijker de menselijke aanwezigheid in zijn werk leek te vermijden. De landschappen die hij er schilderde zijn ook niet meteen natuurgetrouw of beschrijvend, wel doordrenkt van zijn diepreligieuze en mystieke wereldbeeld. Daarin werd de natuur opgevat als een weerspiegeling van het transcendente. Menselijke figuren bleven in het beste geval ondergeschikt aan het landschap, of waren gewoon afwezig, wat de indruk versterkte van stilte, contemplatie en nederigheid tegenover de schepping. In zijn landschappen van Etikhove droegen vooral de winter en de bladerloze boom zijn voorkeur weg. ‘Binnen die uitgebeelde landschappelijke zone blijft het concept niet zomaar gratuit. De kunstenaar fabriceert zijn doorwrochte en doordachte panorama’s waarin bepaalde facetten – denk maar aan de alomtegenwoordige perelaar en de kleine witte hoeve – steevast opduiken, telkens in een andere positie. Hij bepaalt zelf de hem toegemeten ruimte, voegt elementen toe of laat er andere weg. Het uitgepuurde landschap is echt van hem.’ (p. 98)

Valerius de Saedeleer, ‘Boomgaard in de winter’, collectie KMSKA, artinflanders.be, foto: Hugo Maertens, public domain

Leo Piron

Een apart hoofdstuk wijdt Van den Bossche aan de schilder Leo Piron, De Saedeleers schoonzoon. Hoewel Piron geboren is in het Henegouwse Marcinelle, ontmoette hij De Saedeleer in 1923 in Aalst, waar beiden lange tijd verbleven. ‘Twee generaties, twee uiteenlopende karakters.’ De Saedeleer een ‘corpulente bourgondiër en een gezelschapsmens’, Piron een ‘bescheiden type, zwijgzaam, ingetogen, tenger ook’. De reden van Pirons verblijf in Aalst was zijn vader, die afkomstig was uit het naburige Denderhoutem en die als bakker in de Ajuinenstad werkte. Toen hij in dienst trad van een sociale coöperatieve, woonde hij met zijn gezin een tijdje in Marcinelle (Charleroi), waar Leo werd geboren. Kort nadien keerde het gezin terug naar Aalst, waar Leo al op vrij jonge leeftijd het vak van drukker leerde.

De artistiek aangelegde Piron genoot zijn basisopleiding aan de Academie van Aalst, onder leiding van Achille Ysabie en Ernest van den Panhuysen. Daarna zette hij zijn studies verder aan de Academie van Gent. Zijn oudere nicht Helena Piron zorgde ervoor dat hij een atelier ter beschikking kreeg in het centrum van Aalst. Na verloop van tijd richtte Piron een atelier in boven de ouderlijke bakkerij in de Nieuwstraat. Nadat hij afgestudeerd was, kon hij in 1924 aan de slag als leraar aan de stedelijke Academie. Een lange loopbaan in het onderwijs zat er voor hem nochtans niet in: al in 1925 stopte hij ermee om zich volledig aan de schilderkunst te wijden. Daartoe trok hij naar Etikhove en betrok er een kamer in In den Leeuw van Vlaanderen. Piron was dan al verloofd met De Saedeleers dochter Marie-Jozef. Sindsdien werd De Saedeleer Pirons enige leermeester.

Jean Milo, ‘Grijs weder aan het meer’, collectie KMSKA, artinflanders.be, foto: Hugo Maertens, © SABAM Belgium 2026
Edgard Tytgat, ‘Portret van de kunstcritici Paul en Luc Haesaerts’, collectie MSK Gent, artinflanders.be, © Sabam Belgium 2025

Morlaix

Op 8 april 1926 huwde Leo Piron met Marie-Jozef. Het paar vestigde zich eerst een tijdje in Volkegem, vlakbij Etikhove. Nadien verbleven ze een tijdje in villa Tynlon en eind jaren twintig vonden ze een woonst op het dorpsplein van Etikhove. Daar verbleven ze tot 1948 om vervolgens te verhuizen naar hun nieuw opgetrokken villa Daelbosch te Nukerke. In oktober 1927 werd hun zoontje Antoon geboren. Kort daarna beloonde de Stad Gent Piron met de Prijs Jeanne Pipyn voor meest beloftevolle kunstenaar, en in 1930 won hij de prijs van de Fondation Rubens, waaraan een bedrag van tienduizend frank verbonden was – veel geld in die tijd. Er was wel een voorwaarde aan gekoppeld: de kunstenaar moest op verplicht verblijf in Frankrijk om zich te vervolmaken. De reis voerde hem tussen mei en augustus 1930 eerst naar Frans-Vlaanderen, vervolgens naar Parijs en uiteindelijk naar Morlaix in Bretagne. In Parijs studeerde hij enkele maanden aan de befaamde, vrije Académie de la Grande Chaumière, waar kunstenaars in een ongedwongen sfeer konden werken. Maar het is vooral het Bretoense Morlaix dat een grote indruk naliet op Piron en waarvan dan ook de meeste sporen zichtbaar zijn in de schilderijen die hij in Frankrijk maakte. Hij was overigens niet de enige op wie het stadje een grote aantrekkingskracht uitoefende: onder anderen Claude Monet, Gustave Courbet, Pierre Bonnard en Auguste Rodin gingen hem voor.

Pirons verblijf in Bretagne stuurde zijn werk in de richting van het expressionisme, een stijl die hij later achter zich zou laten. De grootste invloed onderging hij van zijn schoonvader, ‘die Piron een specifieke en meer geprefereerde richting uitstuurt, gelardeerd met bepaalde toetsen die eigen zijn aan de Vlaamse Primitieven en ook wel aan Pieter Brueghel én met nadrukkelijke lijnen à la Gustave van de Woestyne’ (p. 122). Een hoogtepunt in Pirons carrière vormde zijn deelname aan de Biënnale van Venetië in 1936.

Retrospectieve

Dat Etikhove gaandeweg uitgroeide tot een kunstenaarsdorp, was niet alleen de verdienste van Valerius de Saedeleer, maar ook van diens dochters, van Leo Piron en van de broers Paul en Luc Haesaerts. Hun aanwezigheid en artistieke activiteiten hadden een sterk aanzuigeffect. Begin 1925 namen de Haesaerts, afkomstig uit Boom, hun intrek in In den Leeuw van Vlaanderen en promoveerden het café tot artistieke pleisterplek. Het jaar daarna liet De Saedeleer een nieuw en ruimer weefatelier bouwen op de rug van de Bossenareheuvel, ‘halfweg tussen het dorpscentrum van Etikhove en villa Tynlon’. Elisabeth de Saedeleer en Paul Haesaerts namen het dagelijkse bestuur waar, Valerius de Saedeleer had de artistieke leiding en Luc Haesaerts, opgeleid als ingenieur-architect, was verantwoordelijk voor de industriële en commerciële aspecten.

In het atelier werkten lokale meisjes die, opgeleid door Elisabeth, aan de weefgetouwen zaten. Het duurde dan ook niet lang voor er tentoonstellingen volgden waar de zussen De Saedeleer hun creaties toonden. Maar ook voordien, toen de weefgetouwen zich nog in een bijgebouwtje van de ouderlijke villa bevonden en er van de Haesaerts in Etikhove nog geen sprake was, pakten ze al uit met de vruchten van hun arbeid. Zo exposeerden de zussen De Saedeleer van 4 maart tot 11 april 1923 in Galerie Le Centaure te Brussel. In dezelfde stad viel hen in 1930 een twee maanden durende retrospectieve te beurt in het Paleis voor Schone Kunsten, waarbij duidelijk werd dat voor Studio De Saedeleer om en bij de honderd kunstenaars ontwerpen maakten voor de vloer- en wandtapijten. Tussendoor stelden ze meermaals tentoon in binnen- en buitenland. Hun firma kende dan ook een groot succes, ‘zelfs tot decennia na de Tweede Wereldoorlog’.

Sleutelroman

Tot de eerste lichting kunstenaars die in 1926 Etikhove aandeden, behoorde de Brusselse schilder, kunstcriticus, dichter en romancier Jean Milo (pseudoniem van Jean Émile van Gindertael, 1906-1993). Hij zou er een half jaar verblijven. Ondanks zijn jonge leeftijd had hij er al een tentoonstelling opzitten in de Brusselse Galerie Schwarzenberg. Nog in 1926 ontmoette hij Edgard Tytgat (1879-1957), die zijn verdere loopbaan zou bepalen. Veel later, in 1948, stond Milo mee aan de wieg van de kunstenaarsgroep La Jeune Peinture Belge, en in 1952 aan die van de kunstenaarsgroep Art Abstrait. Als schrijver publiceerde hij in 1938 onder de titel L’Étang de Malbourg een sleutelroman over de artistieke enclave in Etikhove. Daarin verwerkte hij de herinneringen aan zijn eerste verblijf van een half jaar in het dorp. Sommige personages zijn goed herkenbaar, andere ‘worden ietwat vervormd door hun kenmerken uit te vergroten of ze te plukken van twee of meer reële figuren’ (p. 222). Het mannelijke hoofdpersonage, gebaseerd op Milo zelf, heet Hubert Stan en is kunstenaar en ingenieur.

De belangrijkste plaatsen van handeling in de roman zijn Auberge De Vos en de villa van dokter Sursaux en zijn gezin. Sursaux is het alter ego van Valerius de Saedeleer. Van de vijf dochters van de schilder zijn er drie geschetst in de roman. De protagoniste, Mathilde, is hoofdzakelijk gebaseerd op de persoon van de toentertijd 20-jarige Monica, de op een na jongste dochter van De Saedeleer. In zijn roman beschrijft Milo de sfeer van die tijd, ‘met als centraal gegeven: de uitbundige en soms weinig verhullende zwempartijen in een vlakbij gelegen vijver’. In die vijver, l’étang de Malbourg – Malbourg staat voor Etikhove – leert Mathilde Hubert Stan zwemmen. Gaandeweg ontstaat er een aarzelende liefdesverhouding tussen hen. Hubert vraagt zich na verloop van tijd af of hij Mathilde ten huwelijk moet vragen, maar die gedachte botst met zijn conservatieve opvattingen over het huwelijk, die in strijd zijn ‘met de levenslustige, vrije en ongedwongen jonge vrouw die Mathilde is’. Ten slotte, na een wekenlange gezondheidskuur in Italië, beseft hij dat hij Mathilde niet kan missen: ‘Elle a besoin de moi. (…) Il allait la revoir. La voir pour la première fois.’ (p. 254)

Auberge De Vos, Wikimedia Commons

Flandre

Etikhove was als kunstenaarsdorp geen unicum in België en bij uitbreiding in de ons omringende landen. Bij ons denken we dan bijvoorbeeld aan Sint-Martens-Latem, Tervuren en Genk, in Nederland aan Blaricum, Laren en Bergen, in Frankrijk aan Barbizon, Pont-Aven en Honfleur, in Duitsland aan Worpswede, Murnau am Staffelsee en Ahrenshoop, in Denemarken aan Skagen en in Engeland aan St Ives. Etikhove is slechts een vijftal jaar een kunstenaarsdorp gebleven, met Valerius de Saedeleer als centrale figuur. Daarna was het uit met de ‘pret’. De Saedeleer bleef weliswaar artistieke bezoekers en journalisten ontvangen in zijn villa, maar na de dood van zijn echtgenote Clemmeke op 30 augustus 1930 was er een veer in hem gebroken. In 1937 verliet hij villa Tynlon om bij een van zijn dochters in Leupegem (Oudenaarde) te gaan wonen. Hij overleed er in 1941.

Op hun beurt hadden veel kunstenaars die in de jaren 1925-1930 Etikhove voor korte of langere tijd frequenteerden hun vleugels uitgeslagen. Leo Piron bleef met zijn vrouw Marie-Jozef in villa Tynlon wonen tot 1948. Toen verhuisde het koppel naar het nabijgelegen Nukerke, waar Leo in 1962 overleed. Jean Milo was van 1926 tot 1931 onderdirecteur van de Brusselse avant-gardegalerie Le Centaure. In 1962 kreeg hij als beeldend kunstenaar een eigen zaal op de Biënnale van Venetië. Op 21 december 1993 overleed hij te Rixensart. De broers Paul en Luc Haesaerts waren veelzijdige persoonlijkheden die zich op verschillende domeinen profileerden: als architect, regisseur en kunstcriticus. Luc studeerde rechten, filosofie en geschiedenis en Paul bezocht de academie. Samen maakten ze films, richtten het tijdschrift Journal des Beaux-Arts op en schreven talrijke kunstkritieken. Hun voornaamste gezamenlijke realisatie is het ruim zevenhonderd pagina’s tellende overzichtswerk Flandre. Essai sur l’art flamand depuis 1880, dat in 1931 verscheen bij Éditions des Chroniques du Jour in Parijs. Paul overleed in 1974, Luc in 1962.

Valerius de Saedeleer, ‘Panorama van Etikhove’, 1927, potlood op papier, collectie Mu.ZEE, foto: Steven Decroos, Wikimedia Commons

Mijlpaal

In veertien hoofdstukken doet Stefan van den Bossche op uiterst precieze en gedetailleerde wijze het verhaal uit de doeken van het kunstenaarsdorp Etikhove, waar tot nog toe nog maar weinig literatuur over verscheen. De meeste aandacht ging voorheen naar de ontdekking in 1972 van de muurschilderingen van Paul Haesaerts en Ramah in café Bij Sjuule, eerder Auberge De Vos, en nog vroeger In den Leeuw van Vlaanderen. Ook de Heemkundige Kring Businarias uit Etikhove verrichtte in de loop der jaren heel wat waardevol studiewerk. Met Etikhove 1925-1930. Een cultuurgeschiedenis is echter voor het eerst een boek op de markt dat niet alleen inzoomt op de belangrijkste artistieke protagonisten die Etikhove tot een kunstenaarsdorp maakten, maar dat ook hun perikelen in een ruime context plaatst, met als resultaat een cultuurgeschiedenis zonder weerga die bovendien vlot en prettig leest.

Is Van den Bossche er daarmee in geslaagd de geschiedenis van het bezielde kunstenaarsdorp Etikhove exhaustief te reconstrueren? Nee, met alle documentatie en bronnen die voorhanden zijn en waarmee hij het moest doen, is hem dat niet gelukt. Daarvoor is er te weinig bewaard gebleven. De auteur is zich daarvan trouwens maar al te goed bewust, zoals hij zelf schrijft: ‘Zo blijft er heel wat ongeweten, onbekend, onuitgesproken. En dat mag gerust zo blijven.’ (p. 283) Etikhove werd in amper vijf jaar bezocht door zoveel beeldend kunstenaars, schrijvers, architecten, filosofen, geestelijken, cineasten, journalisten, politici en andere hoogwaardigheidsbekleders uit binnen- en buitenland, dat het onmogelijk en ongewenst is al hun levens en relaties op zodanige wijze met elkaar te verknopen dat er een soort ‘superbiografie’ uit ontstaat. Het vraagt nu al veel aandacht en concentratie om de vele tientallen namen die de revue passeren in de juiste context te plaatsen en te duiden. Het mag dan ook een klein mirakel heten dat Van den Bossche erin geslaagd is om met zijn boek een coherent geheel af te leveren dat je als lezer verbluft achterlaat. Met Etikhove 1925-1930. Een cultuurgeschiedenis heeft hij niet minder dan een mijlpaal neergezet. Zoveel is dan ook zeker: met dit boekwerk staat Etikhove voortaan voorgoed op de cultureel-artistieke radar in Vlaanderen, net als Sint-Martens-Latem, Tervuren en Genk, om maar enkele andere voormalige kunstenaarsdorpen van bij ons te noemen. En dat allemaal dankzij één man – Valerius de Saedeleer – en diens tapijtwevende dochters.


Stefan van den Bossche, Etikhove 1925-1930. Een cultuurgeschiedenis, Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 2026, 351 blz. + 32 blz. illustraties, hardcover, 35 EUR, ISBN 978 90 5720 8416. Het boek is verkrijgbaar of te bestellen in elke boekhandel.


Share This Post On

Submit a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op

Get 30% off your first purchase

Close Welcome Bar