Van expressionist tot magisch realist: retrospectieve Jef van Tuerenhout in Mechelen

Sommigen noemden schilder, beeldhouwer, keramist, graficus en juwelenontwerper Jef van Tuerenhout (1926-2006) de laatste surrealist. Dat klopt niet: zijn werk hoort eerder thuis in het fantastisch of magisch realisme, bij ons ook wel de Vlaamse Fantastiek genoemd. Wie zich hiervan wil overtuigen, rept zich best zo snel mogelijk naar een bescheiden retrospectieve van Jef van Tuerenhout in zijn geboortestad, misleidend getiteld Jef van Tuerenhout: de laatste surrealist. Ze loopt nog tot zondag 27 september en toont een 90-tal werken in verschillende technieken: olie op doek, terracotta, gouache, aquarel, pastel, potlood, inkt, krijt, ets, brons, mixed media, muurschildering en polyester.

Rauwe beeldtaal

Jef van Tuerenhout werd geboren op 23 mei 1926 te Mechelen. Zijn vader had een succesvol meubelatelier en droomde ervan dat zijn zoon de zaak zou voortzetten. Maar Jef verkoos kunstenaar te worden. Van 1941 tot 1945 studeerde hij schilder- en beeldhouwkunst aan Sint-Lucas in Schaarbeek. Hij luisterde in die tijd naar de raadgevingen van de oudere kunstenaars Evarist Opzommer (1910-1988) en Rik Brouwers (1904-1978), die beiden opgeleid waren en later lesgaven aan de Mechelse Academie. Na zijn studiejaren kende Van Tuerenhout een moeilijke periode en maakte hij om den brode – onder het pseudoniem Jan van Gent – schilderijen die in een meubelzaak bij aankopen gratis werden meegegeven.

Zoals velen van zijn generatie begon Van Tuerenhout in de jaren veertig met een schoolse variant van het expressionisme. Hij experimenteerde eerst met schematisch getekende, uitgemergelde figuren in haast kleurloze doeken. Van Tuerenhout was daarnaast een aanhanger van het miserabilisme en het primitivisme. Het miserabilisme was in tegenstelling tot het expressionisme geen afgebakende Vlaamse kunststroming met een manifest of groep. Het was eerder een houding tegenover mens en werkelijkheid: de voorstelling van armoede, ellende, lichamelijk lijden, sociale marginaliteit, eenzaamheid en uitzichtloosheid, vaak in een bewust sobere, donkere of rauwe beeldtaal. Het primitivisme ontstond rond 1900 als onderdeel van de Europese avant-garde. Kunstenaars als Gauguin, Picasso, Matisse en later de Duitse expressionisten keerden zich tegen de academische naturalistische kunst. Zij zochten naar wat zij beschouwden als een oorspronkelijker, directer en minder gecultiveerd beeld van de werkelijkheid. Dat vonden ze in het primitivisme.

Jef van Tuerenhout, ‘De magiër’, ‘De schreeuw’
foto: Patrick Auwelaert

Magisch realisme

In de periode dat Van Tuerenhout experimenteerde met het expressionisme, dreigde de stroming te verzanden in academisme. Een terugkeer naar het klassieke realisme bood een mogelijke uitweg. Anderen verkozen te vluchten in de abstractie. Van Tuerenhout koos een derde weg: die van het fantasmagorisch of magisch realisme. Zijn eerste figuren waren vaag menselijk van gedaante. Pas in 1966 zette hij een punt achter zijn periode van miserabilisme. Maar daar ging veel aan vooraf. Zo nam Van Tuerenhout in 1949 samen met Pol Mara, Jan Cox, Paul Van Hoeydonck, Gaston Bertrand en anderen deel aan de groepstentoonstelling Hedendaagse Schilderkunst in België, georganiseerd door het gerenommeerde tijdschrift voor kunst en letteren De Meridiaan (1951-1960). In hetzelfde jaar, zo stelt Christian Albert in de tentoonstellingscatalogus, sloot hij zich net als Hugo Claus en Louis Paul Boon aan bij het door journalist Jan Walravens en dichter Remy C. Van de Kerckhove opgerichte literaire avant-gardetijdschrift Tijd en Mens. Dat laatste klopt niet: Van Tuerenhout maakte op een bepaald ogenblik weliswaar deel uit van de kring rond Tijd en Mens, maar hij is er nooit redacteur van geweest. In de lijvige studie Feit en tussenkomst. Geschiedenis en opvattingen van Tijd en Mens (1949-1955) van literatuuronderzoeker Jos Joosten, wordt Van Tuerenhout expliciet beschreven als iemand die één nummer lang officieel als Tijd en Mens-lid werd vermeld. Hijzelf verklaarde later: ‘Ik ben aanwezig geweest bij redactievergaderingen, maar niet met de volledige groep.’

In dezelfde periode begon Van Tuerenhout naam te maken en succes te krijgen. In 1950 stelde hij in Mechelen voor het eerst solo tentoon onder de morbide titel Ne grattez pas le squelette de vos aïeux, vrij vertaald als ‘Wroet niet in de beenderen van uw voorouders’. In 1952 huwde hij Clara Raes en vestigde zich met haar in Antwerpen. Ze zouden tot aan Van Tuerenhouts overlijden op 4 maart 2006 in Wenduine onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven. In de tentoonstelling is op een schildersezel een olieverfportret van haar te zien in een als atelier ingerichte ruimte. In 1954 verhuisden Van Tuerenhout en Clara naar Oostende, waar ze een belle-époquewoning hadden gekocht op de Albert I-Promenade. Ze zouden er blijven tot 1993, toen ze het gewezen klooster van Soeur Sourire kochten in Wenduine.

Jef van Tuerenhout, ‘De verloren vrienden’, ‘Zon’, brons met bruine patina,’ ‘Portret Clara – Jan van Gent’
foto: Patrick Auwelaert

Erotiek

Begin jaren zestig maakte Van Tuerenhout een tijdje abstracte doeken die sterk deden denken aan het werk van materieschilders als Jean Dubuffet, Jean Fautrier en Wols. Maar ondanks de dominante positie van de abstracte kunst na 1945 bleef Van Tuerenhout zijn figuratieve instelling uiteindelijk toch trouw. Vanaf 1966 verschenen de eerste symbolische elementen in zijn werk. De dynamische kracht van het expressionisme maakte stilaan plaats voor soms onherkenbare, statische figuren. Zo bijvoorbeeld de wastekening Erotische droom uit 1970, een werk van 120 bij 105 cm, dat te zien is in de tentoonstelling. (Een wastekening maak je door gekleurde bijenwas op speciaal papier te smelten en te bewerken met een strijkijzertje of een warmtepen.)

Het horizontaal georiënteerde werk in aardekleuren toont centraal onderaan een enorme eikel, op de top waarvan een naakte vrouw zit met gespreide armen waaraan vleugels zijn bevestigd. Haar hoofd is slechts deels zichtbaar en het is nog maar de vraag of ze twee ogen, twee oren, een neus en een mond zou hebben als haar hoofd helemaal zichtbaar was geweest. Links en rechts onderaan duiken twee grote handen op in het beeldvlak. Ze hebben haast niets menselijks: met uitzondering van de duimen hebben ze elk vier vingers in de vorm van slanke, omgekeerde kegels. Ze lijken een brede, bruine balk vast te houden die achter de eikel doorloopt en de hele breedte van de compositie in beslag neemt. Die horizontale balk komt compositorisch mooi overeen met de gestrekte armen van de vrouw. De pennen van haar vleugels lijken er op te rusten.

Andere opvallende kenmerken: de vrouw heeft geprononceerde borsten en haar onderbuik is merkbaar gezwollen, alsof ze zwanger is. Dergelijke vrouwbeelden kwamen sinds 1966 veelvuldig voor in Van Tuerenhouts werk. In het begin zagen ze er meer als gedrochten uit, maar vanaf pakweg midden jaren zeventig, na een beslissende wending in het werk van de kunstenaar, maakten ze plaats voor onwezenlijk mooie, meestal frontaal geschilderde vrouwen in olie op doek. De Vrouw – met hoofdletter – zou voortaan Van Tuerenhouts leidmotief vormen. De vrouw als symbool van vruchtbaarheid en alles wat daarmee samenhangt: de erotiek. Maar zonder dat ze op de toeschouwer een seksuele aantrekkingskracht uitoefent. Haar blik is noch verleidelijk noch uitnodigend, eerder afstandelijk en ongenaakbaar.

Van Tuerenhout had uitgesproken ideeën over de erotiek: ‘Het erotische vormt de motoriek van het leven. Het is het oer-wezenlijke van het leven, de rest is bijkomstig, en daarom speelt het, moet het wel een belangrijke rol in mijn werk spelen. Het geeft dynamiek aan het organische element.’

Archetype

Van Tuerenhout had grote bewondering voor het werk van de Franse surrealistische schilder, illustrator en decorontwerper Félix Labisse (1905-1982), die hem in Parijs introduceerde bij Salvador Dalí en Max Ernst. Ook in het oeuvre van Labisse speelde erotiek een belangrijke rol, maar anders dan bij Van Tuerenhout. Labisse koppelde erotische aantrekkingskracht aan gevaar, roofzucht en macht. Een vrouw kon tegelijk begeerlijk en bedreigend zijn. Dat verklaart ook het terugkerende motief van de vrouw als insect in zijn werk. In L’Aventure permanente (1944) wordt het vrouwelijke lichaam bijvoorbeeld gecombineerd met de kop van een bidsprinkhaan. Een kunsthistorische studie verbindt dit rechtstreeks met het idee van de femme fatale: de vrouw die haar mannelijke tegenstander letterlijk kan verslinden.

Een andere stijlgenoot van Van Tuerenhout was Paul Delvaux (1897-1994). Die werd als surrealist beschouwd, maar was het daarmee oneens. Hij vond deze interpretatie van zijn werk te eng, te formalistisch en vooral te oppervlakkig. Hij wilde gewoon ‘een poëtisch realisme’ creëren en daarin bereikte hij een ongekende hoogte en internationale bekendheid. Zowel Van Tuerenhout en Labisse als Delvaux hadden met elkaar gemeen dat ze elk hun archetype van de vrouw creëerden. Delvaux liet zijn vrouwen los tussen Griekse en Romeinse tempels, Labisse creëerde een droomwereld met Caribische kleuren, terwijl Van Tuerenhout zijn ‘godinnen’ plaatste in een decor met oosterse en Jugendstil-elementen.

Jef van Tuerenhout, ‘Antilope’, ‘De nacht van de luipaard’
foto’s: Patrick Auwelaert

Oude koningin

Van Tuerenhouts vrouwen als symbool houden zich bij voorkeur op in decors van ongebruikelijke, soms onwerkelijke kleuren, omringd door ornamenten die hun verheven status onderstrepen. De Vlaamse dichter en essayist Jaak Brouwers merkte daar het volgende over op: ‘Het brengt ons alvast een stap dichter bij het oeuvre van Jef van Tuerenhout als men evenveel aandacht besteedt aan art nouveau, art deco en ornamentele kunst.’ Maar ook Jugendstil, Egyptische, Polynesische en Afrikaanse kunst versmolten in Van Tuerenhouts werk tot iets nieuws. De kunstenaar was dan ook erg geboeid door de rituelen van Afrikaanse stammen en de spirituele gebruiken van het oude Egypte. De architectuur en de houten sculpturen van de Polynesische eilanden, alsook de kunst van de Aboriginals, konden eveneens zijn belangstelling wegdragen.

Erotiek mocht dan wel centraal staan in Van Tuerenhouts werk vanaf midden jaren zeventig, dat neemt niet weg dat er een schaduwzijde aan verbonden was in de vorm van geraamten. De dood loert in zijn werk dan ook steevast om de hoek. Daarmee sluit hij aan bij het freudiaanse onderscheid tussen Eros en Thanatos – niet toevallig ook de titel van de tentoonstellingscatalogus –, ofwel de drift naar leven en de drift naar de dood, twee krachten die in zijn werk een voortdurend onopgelost spanningsveld vormen. Zoals in het monumentale doek Ode aan de oude koningin, een werk van 200 bij 150 centimeter. (Een manco in de catalogus is dat bij niet één werk het jaar van ontstaan wordt vermeld.) Het doek is in twee verticale delen opgesplitst: het gedeelte links omvat een kwart van de compositie, het gedeelte rechts drie vierde. In het linker luik zien we tegen een vuilgele achtergrond de getekende contouren van twee naakte vrouwen die beiden een hoofddeksel met brede rand dragen. Hun lichamen zijn frontaal afgebeeld, maar hun hoofd is helemaal naar rechts gewend, zoals je wel eens ziet op Egyptische hiërogliefen. Hun borsten zijn geprononceerd, hun buiken bol, hun pubis vrij van schaamhaar. De ene vrouw is in het paars weergegeven, de andere in het rood. Merkwaardig is dat delen van hun lichaam overvloeien in het rechter luik, dat helemaal in kleur is en geschilderd in de verfijnde, sensuele stijl die we van de kunstenaar kennen. De tweede vrouw houdt in haar uitgestrekte linkerarm een witte bloem die ze aanbiedt aan een geraamte op een paard. Dat geraamte, gehuld in een paars kleed, is de koningin uit de titel. Ze draagt een plechtstatig hoofddeksel en heeft om haar hals een dubbele ketting met symbolische ornamenten eraan bevestigd. Ook op het dekkleed van haar paard zijn symbolen te zien.

Bij Van Tuerenhout is de ‘koningin’ vaak eerder een mythische vrouwelijke gestalte dan een portret van een historische vorstin. Zijn vrouwenfiguren bewegen zich in een wereld van fantasie, erotiek, exotisme en surrealisme. Het woord ‘oude’ is daarbij interessant. Het kan verwijzen naar een archaïsche of mythische koningin – een soort oerbeeld van de vrouw – eerder dan naar een concrete oudere vrouw. Dat sluit aan bij de manier waarop Van Tuerenhout zijn vrouwelijke figuren stilistisch uitwerkte.

Vergeestelijkte figuren

Van Tuerenhout schilderde technisch perfect, met zorgvuldig afgelijnde overgangen tussen zijn figuren. De vervreemding die zijn schilderijen oproepen, is niet zozeer het gevolg van ongewone combinaties van objecten – zoals dat in het klassieke surrealisme het geval is –, maar ontstaat vanuit de figuren zelf, die een innerlijke, bijna magnetische vreemdheid uitstralen. Volgens Willem Elias in de catalogus bestaat er een duidelijke verwantschap tussen Van Tuerenhout en Gustav Klimt, ‘wiens decoratieve gebruik van ornament en vlak Van Tuerenhout bewust heeft opgezogen en naar zijn eigen hand gezet. In die zin sluit hij aan bij het symbolisme in zijn meest wezenlijke definitie: kunst die de werkelijkheid niet nabootst, maar een eigen werkelijkheid schept – één die uitnodigt tot contemplatie en die de kijker dwingt verder te denken dan wat het oog registreert.’

Volgens Henk van Nieuwenhove, eveneens in de catalogus, draagt Van Tuerenhouts werk een krachtige boodschap uit: ‘Wanneer hij, zowel qua techniek als qua denken, tot volle rijpheid is gekomen, spiegelt hij ons een nieuw wereldbeeld voor waarin de vrouw de scepter draagt.’ De vrouw als archetype, oermoeder, muze, idool, schikgodin, femme fatale, vanitassymbool. Dieren, honden, handspiegels, kleding en allerlei symbolisch geladen accessoires prikkelen de verbeelding. Van Tuerenhouts vrouwen staan buiten de tijd. Ze zijn niet van vlees en bloed, maar ogen ‘open en bloot’ als vergeestelijkte figuren. Ook in zijn beeldhouwkunst staat de vrouw centraal. Sommige beelden, die vaak negroïde kenmerken vertonen, smukt hij op met juwelen, pluimen, smeedijzeren spijkers en schelpen. Nog meer dan zijn schilderijen en grafische kunst getuigen ze van een Afrikaans aandoende zin voor magie.

Mannen of verwijzingen naar de man vallen dan amper nog te bespeuren in Van Tuerenhouts werk. Eén uitzondering: de kunstenaar zelf die hier en daar als stille getuige optreedt in een vrouwenwereld. Eén keer beeldt hij zichzelf af als James Ensor, een eerbetoon aan zijn Oostendse voorganger die net als hij getuige was van een vreemde wereld rondom zich. Met maskers in plaats van demonen.

Jef van Tuerenhout, ‘Hello James’, ‘Wie zijt gij’
foto’s: Patrick Auwelaert

Geïsoleerde figuur

Rest de vraag in welke stroming Jef van Tuerenhout is onder te brengen. Tijdens zijn afscheidsrede bij de uitvaartplechtigheid van de kunstenaar noemde Jacques Martens hem ‘“de laatste Belgische surrealist” en dat is niet helemaal onterecht. Maar eigenlijk is Jef van Tuerenhout een heel aparte, niet onder één noemer te brengen kunstenaar.’ Marcel van Jole sloot zich daar bij aan: ‘Vanuit internationaal standpunt bezien, is Van Tuerenhout een geïsoleerde figuur, zoals een Botero, een Balthus, een Fuchs, een Fini, een individualist tot in het merg voor wie Kunst geen wetenschap, geen recept is, maar zuiver gevoel, een bron van individuele rijkdom en schoonheid.’


Initiatiefnemer van de retrospectieve expo Jef van Tuerenhout: de laatste surrealist: vzw Het Paradijs, in Artspace, Bleekstraat 7, Mechelen. Voor meer info, klik hier. De tentoonstelling loopt nog tot 27 september 2026, van woensdag tot en met zondag, telkens van 13 uur tot 18 uur. De inkom is gratis.

Catalogus: Christian Albert, Willem Elias en Henk van Nieuwenhove: Jef van Tuerenhout | Eros & Thanatos, Uitgeverij ElenA, Mechelen, 2026, 128 p., hardcover, 45 EUR, ISBN 978 90 8374 0003. Het boek is verkrijgbaar of te bestellen in elke boekhandel, alsook in de shop van de tentoonstelling.


Share This Post On

Submit a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op