Liefhebbers van het werk van Léon Spilliaert (1881-1946) worden deze zomer en dit najaar flink verwend. Nog tot 14 augustus loopt in de Brusselse Patrick Derom Gallery onder de titel Léon Spilliaert – De deur op een kier een tentoonstelling met interieurs en stillevens van de Oostendse meester. Van 28 augustus tot 26 september vindt in Native Gallery te Sint-Gillis (Brussel) de groepstentoonstelling Close to Léon Spilliaert: Dialoog met hedendaagse kunst plaats, en van 22 oktober tot 21 maart 2027 verkent Soleil Noir in Villa Empain te Elsene het universum van Léon Spilliaert via een unieke dialoog met de grote figuren van de Belgische kunst, van James Ensor tot Michaël Borremans. Wij berichten over elk van die expo’s en trappen af met De deur op een kier.
Internationale belangstelling
Patrick Derom Gallery wijdde eerder al expo’s aan Spilliaert: Nu of nooit! (van 15 oktober tot 13 november 2021) en Léon Spilliaert: dwalen door de stilte (van 16 februari tot 13 april 2024). Conservatoren van de aankomende tentoonstelling zijn Edouard Derom en Spilliaert-specialiste Anne Adriaens-Pannier. De oorsprong ervan ligt in de reeks thematische tentoonstellingen die Adriaens-Pannier destijds opzette voor het Spilliaert Huis in Oostende, dat actief was van 2016 tot 2021. Daarnaast kadert de expo ook in een bredere context van hernieuwde internationale belangstelling voor Spilliaerts werk, dat de komende vijf jaar te bewonderen zal zijn in zowel de Verenigde Staten en Japan als in het tegen dan heropende Mu.ZEE te Oostende. De tentoonstelling hoopt voorts bij te dragen aan een grotere erkenning van Spilliaerts werk en aan de ontdekking van minder bekende aspecten van zijn oeuvre.
Spilliaert maakte de tentoongestelde werken tussen 1899 en 1946 – het jaar van zijn overlijden. De selectie omvat een aantal meesterwerken, waarvan vele al jaren niet meer in het openbaar te zien zijn geweest en sommige zelfs voor het eerst aan het publiek worden getoond. De meeste zijn afkomstig uit privéverzamelingen. Naast interieurs en stillevens bevat de expo ook zes zelfportretten, die alle in de bijzonder fraaie catalogus zijn opgenomen. Tweeënvijftig werken in totaal, met als surplus tal van werken – ook van andere kunstenaars – die fungeren als illustratie bij de acht essays en kunstkritieken van Anne Adriaens-Pannier, Edouard Derom, Stefan Huygebaert, Marie-Noëlle Grison en Franz Hellens (1881-1972). Die laatste – schrijver, dichter en kunstcriticus – was bevriend met Spilliaert, verdedigde zijn werk en schreef er lovende kritieken over. Zijn kritische essay in de catalogus dateert van 5 januari 1913 en verscheen oorspronkelijk in L’Art Moderne, een Belgisch tijdschrift voor kunst en letterkunde dat van 1881 – het geboortejaar van zowel Spilliaert als Hellens – tot 1914 verscheen.
Léon Spilliaert, Zelfportret, 2 februari 1902. © Luc Schrobiltgen, Brussel
Mentale ruimte
Spilliaert is bij het grote publiek vooral bekend van zijn zelfportretten, zeegezichten en nachtelijke scènes, maar hij was veelzijdiger dan dat. Minder bekend is bijvoorbeeld dat hij, vooral naar het eind van zijn leven toe, tal van bomen heeft getekend*. En dus ook interieurs en stillevens. De meeste ervan tekende hij in de periode 1907-1909, toen hij nog bij zijn ouders woonde op het adres Kapellestraat 2 te Oostende. Zijn vader, Léonard-Hubert Spilliaert, baatte er een bloeiende parfumeriezaak uit en schopte het tot hofleverancier van koning Leopold II. De ietwat ziekelijke kunstenaar – de oudste van zeven kinderen – leed in die tijd aan maagzweren en neerslachtigheid. Het is dan ook opmerkelijk vast te stellen dat hij uitgerekend in die periode uiterst productief was en veel van zijn beste werk heeft gemaakt.
Als atelier gebruikte Spilliaert hoofdzakelijk een aanbouw met glazen dak bij de achtergevel van de ouderlijke woonst. Die aanbouw lag in het verlengde van en sloot aan bij het atelier van zijn vader – een ruimte achter de parfumeriezaak, waar tal van dozen in uiteenlopende kleuren en formaten, flessen, flacons en fiolen werden bewaard: verpakkingsmateriaal en benodigdheden voor de parfums die Spilliaerts vader verkocht. In dat atelier bevonden zich daarnaast meerdere spiegels, hoekkasten, planten in potten, boeken, een Thonetstoel – ook wel een ‘Weense koffiehuisstoel’ genoemd –, een piano, schelpen, glazen stolpen, kapstokken, wandlampen, een kaarsenluchter, schedels en kleinsculpturen. In Spiegelpaleis, achterhuis, enigma, zijn bijdrage voor de catalogus, doet Mu.ZEE-curator Stefan Huygebaert een poging om beide ruimten – atelier en aanbouw – te reconstrueren. Helemaal lukt hem dat niet, omdat het huis in 1940 door de Duitsers werd gebombardeerd. Zelf beschouwde Spilliaert ze als een ‘mentale’ ruimte die, volgens Edouard Derom in de catalogus, ‘als het ware in de tijd is bevroren en waar de aanwezigheid van de dingen zowel tastbaar als mysterieus is. Deze interieurs worden gekenmerkt door een vreemde, soms verontrustende sfeer, die Spilliaerts persoonlijkheid weerspiegelt.’
Verontrustende sfeer
De verontrustende sfeer in Spilliaerts oeuvre is waarom hij vooral bekend staat en komt in het bijzonder tot uiting in zijn zelfportretten, waarvan de kunstenaar er in de periode 1907-1908 een vijftiental tekende. Vooral Zelfportret voor de spiegel (1908) – niet in de tentoonstelling en de catalogus opgenomen – ademt een bijna ijzingwekkende sfeer uit. De overwegend in grijze en blauwe tonen getekende voorstelling laat Spilliaert zien, afgewend van een pompeuze spiegel boven de schoorsteenmantel. Zijn mond staat als in afgrijzen wijd open, terwijl zijn linkeroog zombie-achtig aandoet. Zijn rechteroog is niet zichtbaar, deels omdat het afgewend is van de toeschouwer, deels omdat het in de schaduw van zijn diepe oogkassen ligt. Het zelfportret doet sterk denken aan De schreeuw (1893) van Edvard Munch (1863-1944). Onwillekeurig vraag je je af wat er door het hoofd van de kunstenaar ging toen hij het tekende en schilderde met gewassen Oost-Indische inkt, gouache, aquarel en pastel. En ook of hij het ’s nachts maakte of overdag. Spilliaert leed in die tijd immers aan slapeloosheid en stond vaak ’s nachts op om te wandelen of zich aan zijn kunst te wijden.
In bijna schril contrast met Zelfportret voor de spiegel staan de zes zelfportretten die wel in de tentoonstelling en de catalogus zijn opgenomen. Drie ervan zijn gemaakt in 1907-1908, twee in 1903 en één in 1911. Zelfportret met schetsboek (1907), uitgevoerd met gewassen Oost-Indische inkt, penseel, kleurpotlood, vetkrijt en krassen op papier, toont een andere man: rechtopstaand naast een tafel met rood-wit geblokt tafelkleed, gekleed in een pak met stijve hemdsboord, met in zijn linkerhand een potlood en in zijn rechterhand een schetsboek. Rechtsboven in de achtergrond is een deel van een spiegel te zien waarin onder meer een pot met een plant zichtbaar is. Linksboven in de achtergrond menen we een bijna volledig dichtgeschoven vitrage te herkennen. De kunstenaar zelf lijkt ietwat dromerig naar een onbestemd punt in de ruimte te staren, alsof hij een voorwerp in ogenschouw neemt dat hij wil weergeven op papier. Hij ziet er lang niet zo getormenteerd uit als op Zelfportret voor de spiegel, eerder aandachtig en melancholisch. Het portret is niet voor niets ook veel kleurrijker en toont een man zonder zichtbare kwellingen.

Léon Spilliaert, Interieur met groene plant en stolp, 1907. Copyright Vincent Everarts, Brussel
Innerlijke realiteit
Veel van de duistere, raadselachtige en fin de siècle-achtige taferelen van Spilliaert ontleende de kunstenaar aan zijn lectuur van symbolistische en andere literatuur van auteurs zoals Comte de Lautréamont, Friedrich Nietzsche, Arthur Schopenhauer, Edgar Allen Poe, Émile Verhaeren en Maurice Maeterlinck. Volgens Anne Adriaens-Pannier in haar in de catalogus opgenomen essay Interieurs en stillevens, de nieuwe realiteit van het alledaagse leven? liet Spilliaert zich in zijn beginperiode ‘meeslepen door een dwalende geest met een overvloedige bron van verbeelding, vaak geïnspireerd door de literaire productie van zijn tijd’. Pas in 1904 – hij was toen nog maar 22, 23 – maakte de kunstenaar een ommezwaai en wilde hij alleen nog naar de realiteit schilderen, daartoe wellicht bewogen, aldus Adriaens-Pannier, door het werk van Les Nabis – een Franse kunstenaarsgroep van post-impressionistische schilders die zich lieten inspireren door Paul Gauguin en die de kunst wilden vernieuwen met platte kleurvlakken en eenvoudige vormen – of, zo vraagt ze zich af, ‘misschien meer nog door de uitbreiding van de traditionele thematiek naar onderwerpen ontleend aan het dagelijks leven en de huiselijke intimiteit?’
Feit is dat Spilliaert zich voor zijn interieurs en stillevens geenszins beperkte tot een loutere beschrijving van de werkelijkheid, maar ook een plastische wereld opriep waarin het zichtbare een innerlijke realiteit uitdraagt die veel zegt over zijn naar introspectie en eenzaamheid neigende karakter. Gekweld door zijn onrustige natuur en zijn gezondheidsproblemen maakte hij van zijn interieurs, net als van zijn overige werk, het toneel van zijn existentiële zoektocht. Alleen al door gebruik te maken van de clair-obscurtechniek en van schaduwen en lichtreflecties, voegde hij aan de letterlijke weergave van objecten en interieurs iets toe dat ze verhief boven hun materialiteit. Hij bezielde ze het als het ware met leven – leven dat er eigen wetmatigheden op nahoudt.

Léon Spilliaert, Witte doos, flacon, schelpen en boeken, 1904. © Vincent Everarts, Brussel
Spookachtig aanzien
Een treffend voorbeeld van een dergelijk interieur is Het kapsalon uit 1909. (Naast parfumeur was Spilliaerts vader ook kapper. Zijn kapperszaak was gevestigd op het adres Kapellestraat 4, naast de parfumeriezaak.) Het werk kwam tot stand met gewassen Oost-Indische inkt, penseel en kleurpotlood op papier. We zien een vrij donkere ruimte met op de voorgrond een donkerbruine tafel waarop, tegen de rand aangeschoven, een witte doos staat. Achter de tafel bevindt zich een gesloten deur of een dichtgeschoven gordijn – het onderscheid is moeilijk te maken, want er is geen deurklink zichtbaar. Tussen de tafel en de deur of het gordijn is de leuning van een Thonetstoel te zien. Rechts daarvan staat nog een andere, grotere stoel in hetzelfde bruin als de tafel. Bovenaan in beeld hangt een witte kaarsenluchter. Het meest opvallend aan het tafereel zijn de kapstokken die links en rechts van de deur of het gordijn aan de wand zijn vastgemaakt en waaraan jassen, petten en een schort hangen. Bevreemdend en verontrustend is dat de jassen waarboven een pet hangt eruitzien als hangende menselijke figuren. Impliciet gaat er dan ook een dreiging uit van het tafereel, samen te vatten als ‘Bezint eer ge deze ruimte betreedt, want de dood waart hier rond’. Die indruk wordt nog versterkt door de witte knoppen van de kapstokken waaraan geen kledingstukken hangen. Ze lijken op te lichten in de schemer van de kamer en verlenen de ruimte een spookachtig aanzien.
Spiegelpaleizen
Talloos zijn de spiegels in het oeuvre van Spilliaert. De kunstenaar maakte er gretig gebruik van om er het gezichtsveld van zijn interieurs mee te ondermijnen, de gezichtspunten te vermenigvuldigen, te tonen wat zich buiten beeld bevindt, of om ruimten te creëren in de achtergrond. ‘Door middel van spiegels,’ zo betoogt Edouard Derom in de catalogus, ‘fragmenteert de kunstenaar de waarneming en introduceert hij een visuele complexiteit die verder gaat dan louter afbeelding, totdat er verwarring ontstaat tussen de werkelijkheid en haar weerspiegeling’. Interieur met bloembol (1909) is daar een goed voorbeeld van. Het toont een grote spiegel die op een meubelstuk lijkt te rusten. Daarop ligt een stapel boeken, iets wat op een liggende flacon wijst, een bord met blauwe biezen waarop een groene bloempot staat met een bloembol erin, en een eenvoudige lamp. In de spiegel zien we een tafel met twee Thonetstoelen. Rechts achteraan onderscheiden we dezelfde kapstokken die ook al opdoken in Het kapsalon. Ook hier hangen er jassen aan – drie in totaal – met boven één jas een pet. Links daarvan zien we een half openstaande deur met twee raampartijen erin. Helemaal links in de spiegel lijkt er nog een spiegel aanwezig, maar dan een die niets weerspiegelt. De centrale opstelling van de grote spiegel in de compositie maakt dat Spilliaert veel diepte in het tafereel bereikt. Op het eerste gezicht staat de bloempot met bloembol centraal, in werkelijkheid biedt de spiegel ons een veel weidser panorama. In dat verband worden sommige van Spilliaerts interieurs wel eens vergeleken met ‘spiegelpaleizen’.


Léon Spilliaert, Het glazen dak, 1909. © Luc Schrobiltgen, Brussel
Léon Spilliaert, Blauwe en bruine flacons, 1909. © Renaud Schrobiltgen, Brussel
Museale kwaliteit
Laten we tot slot inzoomen op de titel van de tentoonstelling: De deur op een kier. De interieurs van Spilliaert sluiten vooral aan bij de traditie van de Deense schilder Vilhelm Hammershøi (1864-1916), wiens werken doordrongen zijn van dezelfde verontrustende stilte die heerst in de interieurs van Spilliaert. Maar beide kunstenaars hebben nog meer gemeen, met name hun gedeelde fascinatie voor deuren: gesloten deuren, open deuren, deuren op een kier. Deuren vormen een van de meest kenmerkende motieven in het oeuvre van Hammershøi. Ze zijn veel meer dan een architectonisch element: ze functioneren als symbolen van overgang, stilte, afwezigheid en de ongrijpbaarheid van de menselijke ervaring. Hammershøi gebruikte deuren om zijn interieurs een psychologische en bijna metafysische lading te geven. Bij Léon Spilliaert spelen deuren op een heel andere manier een rol. Waar de Deense schilder deuren gebruikte om stilte, licht en architectonische harmonie op te roepen, gebruikte Spilliaert ze vooral als psychologische en symbolische grens. Zijn deuren lijken eerder toegang te geven tot een innerlijke wereld dan tot een volgende kamer.
Uit de catalogus leren we dat de tentoonstelling De deur op een kier bedacht en uitgestippeld werd in de tijd van covid, ‘waarin lockdown en isolatie ons terugvoeren naar een leven van terugtrekking tussen vier muren. De kijk op de wereld is plotseling smaller geworden. De blik kan nu enkel nog ronddwalen in de intieme ruimtes van het dagelijks leven, en hoewel de frustratie over de beperkte bewegingsvrijheid voelbaar is, nodigt een nieuwe visuele benadering soms uit tot ongewone herontdekkingen.’
Dat is precies wat De deur op een kier doet: ons laten kennismaken met een minder bekend facet van Spilliaerts oeuvre, met name zijn interieurs en stillevens, zowel materieel als immaterieel. Laat ze niet aan u voorbijgaan, want ze zijn van museale kwaliteit!

Léon Spilliaert, Oranje en blauwe schelpen, 1927. © Vincent Everarts, Brussel
* Léon Spilliaert staat geboekstaafd als schilder, maar dat was hij niet. Zijn handen stonden niet naar kwasten. Hij leerde ook nooit met olieverf werken, al heeft hij, om mercantiele redenen, wel een zestigtal olieverfschilderijen vervaardigd. Spilliaert was in de eerste plaats een tekenaar, iemand die wonderlijke dingen heeft gedaan met krijtjes, potloden, pennen en fijne penseeltjes op diverse soorten papier.
Voor meer info over de tentoonstelling: klik hier.

Anne Adriaens-Pannier e.a., Léon Spilliaert – Interieurs en stillevens, Hannibal Books, Antwerpen, 2026, 128 blz., 32,6 x 25,1 cm, € 45. Het boek is verkrijgbaar in het Nederlands, Frans en Engels, en is te koop of te bestellen in elke boekhandel. Je kunt het ook kopen in Patrick Derom Gallery.
- ‘De deur op een kier’: interieurs en stillevens van Léon Spilliaert - juli 30, 2026
- ‘Up Close’ met fotograaf en filmer Ed van der Elsken - juli 17, 2026
- Yves Klein en zijn kunstenaarsfamilie: Frits, Marie en Rotraut - juli 10, 2026





juli 30, 2026
Een schitterende bespreking, Patrick !
Gefeliciteerd !