Een kunstenaar hoeft niet veel of ver te reizen om een leven te vullen. Dankzij een scherper ontwikkelde gevoelsperceptie en een tot het uiterste gedreven vermogen tot observatie lijken kunstenaars dubbel zo intens en dus dubbel zoveel te leven als de gewone sterveling, ook al oogt datzelfde leven voor de buitenwereld als een vrij banale bedoening.
Een jong kunstzinnig meisje wordt verliefd op een oudere, wereldberoemde kunstenaar. Voer voor een fast-read-stationromannetje, ware het niet dat het verhaal hier verteld wordt door de jonge kunstenares zelf. Celia Paul is intussen misschien geen beroemdheid, maar geniet wel degelijk de aandacht en het respect van de kunstwereld. Dat is te danken aan haar eigen mérites – en vermoedelijk ondanks haar tienjarige relatie met Lucian Freud, niet dankzij.
Ondanks haar vrouw-zijn, stelt ze zich van meet af aan duidelijk op in haar biografie – en dat ondanks de verscheurende keuzes die het moederschap met zich meebrengt wanneer een moeder ook kunstenaar is. Het is volgens haar noodzakelijk om beide strikt van elkaar te scheiden:
“As a woman painter, one needs to work out a strategy: I feel the need to put up barriers to protect my solitude. I agree with Virginia Woolf that the vital thing for a woman artist is ‘a room of one’s own.’”
Celia was een jonge, beginnende kunstenaar toen Lucian Freud langskwam in het atelier van de academie waar ze les volgde. Zij ‘viel’, hij was gecharmeerd. Je zou denken dat een klassieke prooi-roofdierrelatie volgde, en zelf hint ze daar ook op wanneer ze een van de eerste afspraken met Freud beschrijft:
“He receives you nervously, tentatively at first and then he lunges at you, kissing you as if he would drown you, then as suddenly withdraws and with serious abstracted expression moves towards the hall.”
Maar het ligt genuanceerder dan dat. Zij hield van hem, en hij was haar alleszins genegen – zo blijkt uit zijn talrijke attenties in de vorm van steun, advies en bewondering. Ze is ook op jonge leeftijd al zelfstandig genoeg. Hoewel ze soms wekenlang hoopvol op een telefoontje van hem wacht, is ze nooit wanhopig. Ze smeekt niet, vraagt hem niets. Ze woont alleen en leidt een eigen leven, dat voor een deel parallel loopt aan dat van haar minnaar.
Hoewel de relatie met Freud een centrale plaats inneemt, is het ware onderwerp van deze biografie de ontwikkeling van haar eigen kunst. Ze observeert Freuds manier van werken – ze stond zelf een aantal keer model voor hem, wat, zoals intussen bekend, een bijzonder pijnlijke en confronterende ervaring was. Ze beschrijft hoe hij een portret aanvangt met de neus of mond van het model en van daaruit het lichaam en de omgeving opbouwt. Hierdoor ontstaat een licht vertekend perspectief, waarin zelfs lichaamsdelen een wat onafhankelijke plek lijken te krijgen. Ongetwijfeld beïnvloedt dit haar enigszins, zonder dat ze zijn techniek klakkeloos kopieert. In haar portret van haar moeder met haar dochters lijken ze allemaal op gelijke wijze afstandelijk en onafhankelijk van elkaar:
“The five women look lost and alone, drifting on a lonely raft, without a navigator and longing for guidance.”
Natuurlijk was ze, als jonge vrouw en als kunstenares, in de ban van iemand als Freud – daar moeten we niet flauw over doen. Maar de biografie biedt vooral een getuigenis van hoe je, zelfs binnen zo’n relatie, jezelf als autonome persoonlijkheid in stand kunt houden. En dat is precies waar Celia uiteindelijk in slaagt. Onrechtstreeks en onbedoeld is het Freud zelf die haar de zelfzekerheid teruggaf die hij eerst had ondermijnd – door haar een kind te schenken:
“Something in me had changed. I felt more powerful and confident since becoming a mother. I was beginning to have more of a sense of who I was.”
De relatie met Freud is zeker niet expliciet ‘toxisch’ te noemen – lang niet. Maar de machtsverhouding was wel onevenwichtig, en het duurde tot ver na het einde van hun relatie voor Celia erin slaagde het evenwicht te herstellen. Dat deed ze met een zelfportret, met dezelfde titel als het portret dat Freud ooit van haar maakte:
“In my own ‘Painter and Model’ painting, I have it all. I am both artist and sitter. By looking at myself I don’t need to stage a drama about power; I am empowered by the very fact that I am representing myself as I am: a painter.”
Kunst maken, ondanks alles, als een zelfgekozen noodzaak – het is bij uitstek een daad waarmee een kunstenaar zijn of haar autonomie bevestigt. In deze heel persoonlijke betekenis is het tegelijk ook een politieke daad.




