Het mag, achteraf gezien, vreemd lijken dat het surrealisme als kunststroming een relatief kort leven werd gegund. De kennis van het onderbewustzijn stond toen nog in de kinderschoenen, en als onderzoekers van de onderliggende processen hadden surrealistische kunstenaars best nog een tijd lang inspiratie kunnen putten uit de ontwikkelingen die het vakgebied nog zou doormaken – al was de psychoanalyse op dat moment al min of meer in onmin geraakt.
Het surrealisme was echter nooit een homogene stroming, ondanks alle theoretische onderbouwing – of misschien juist daardoor: opperpriester André Breton was, alles bij elkaar genomen, niet bepaald een ruimdenkend of verbindend figuur.
Als kunststroming bracht het surrealisme niettemin enkele kunstenaars voort die ook honderd jaar na de feiten nog tot de verbeelding spreken. Sommige werken genieten nog steeds een iconische status en worden gretig ingezet in de vermarkting die onze beeldcultuur eigen is.
Het werk van Magritte zal hierin, meer dan dat van enige andere kunstenaar, het collectieve onderbewuste zijn binnengedrongen. Zijn Trahison des images of zijn L’Empire des lumières prijken nog steeds op t-shirts van jonge hipsters en luxueuze modetassen – wat op zich al een surrealistisch gegeven is.
Het mag dan ook op zijn minst wat vreemd lijken dat hij zichzelf niet noodzakelijk als een surrealist pur sang beschouwde, als je onder pur sang de officiële doctrine verstaat. Al vroeg in zijn biografie stelt Alex Danchev: “In Magrittes handen wordt een object niet alleen in ere hersteld, het is het nec plus ultra der objecten. Een locomotief die uit een open haard komt, is meer locomotief dan hij ooit op het spoor was.” (p. 65). De beelden van Magritte zijn dus geen resultaat van verbeelding of van een andere, buitenaardse realiteit. In de woorden van Magritte zelf: “Voor mij is het geen kwestie van het onder de knie krijgen van mysteries, zoals de alchemisten – er is niets dat we moeten weten of leren – maar van de manier om beelden te ontdekken en te schilderen waarin het onbekende niet kan worden gereduceerd tot het kenbare.” (p. 84)
Deze biografie biedt niet zozeer een chronologisch verhaal van een leven, maar focust op de omstandigheden waarin het oeuvre van Magritte zich ontwikkelde. Je ontdekt er onder meer het belang van de uiterst succesvolle feuilletonreeks Fantômas, waarvan Magritte hele passages kende, of de impact die De Chirico had op het prille oeuvre van de surrealist: “De Chirico was de eerste die stilstond bij wat er geschilderd moet worden, in plaats van bij hoe.” (p. 153). Maar evengoed de jarenlange vriendschap met Nougé, die de titels verzon van een groot deel van de werken van Magritte, Marcel Mariën of Scutenaire. Deze kleine kern vormde ongetwijfeld de meest vruchtbare bron voor de ideeën en de ‘stijl’ – meer als denkstijl dan als kunststijl – van Magritte, die voor deze vriendengroep kan worden samengevat in de leefregel die ze hanteerden: “De wereld begrijpen door haar te transformeren.”
Wat deze biografie duidelijk maakt, is dat Magritte niet slechts een maker was van verrassende beelden, voortkomend uit vrije associaties en een op hol geslagen verbeelding. Magritte was eerst en vooral een denker. Meer dan een vorm van representatie van een buitenstaande realiteit, is waarneming een handeling, leerde hij van Bergson. Maar hij was minstens even vertrouwd met het werk van Heidegger, Kant of Wittgenstein, die in een of andere vorm in zijn werk aanwezig zijn. De productie van beelden is op zich een vorm van nadenken, en naarmate zijn denken vorm kreeg, ging de kunstenaar het scheppen van een beeld steeds meer zien als een ‘oplossing voor een probleem’.
Het mag vreemd lijken dat zijn filosofie, die hij al vroeg ook schriftelijk verwoordde, minder aandacht genoot dan zijn werken – al kwamen ook het succes en de brede erkenning van zijn beelden bijzonder laat in zijn leven.
Hiermee komen we bij de netelige kwestie van de commercialisering van Magrittes werk, een thema dat in deze biografie regelmatig komt bovendrijven. Van de vervalsingen van andere kunstenaars waaraan Magritte zich bezondigde – waarover het boek opvallend affirmatief is – tot het ‘vertalen’ van enkele schilderijen naar het Engels voor de Amerikaanse markt: het staat vast dat Magritte commercieel succes nastreefde. Dat botst met de communistische, anti-bourgeois overtuigingen die hij evenzeer koesterde. Het is een spanningsveld dat ongetwijfeld een élan gaf aan zijn werk, en zelfs een verklaring biedt voor zijn ‘période vache’, maar dat evengoed zijn lange periodes van naar depressie neigende lethargie verklaart – de ‘désolant ennui’.
Het portret dat Danchev van Magritte schetst, is dat van een complexe maar innemende man. Een eeuwige anticonformist en authentiek visueel denker die in hoge mate trouw bleef aan zijn idealen, maar evengoed een kunstenaar die zich plooide naar de marktlogica en de veranderende tijdsgeest. Beide zijn in zijn levenshouding niet onverzoenbaar. “Als iets het waard is om één keer te doen, is het ook waard om het steeds opnieuw te doen,” liet hij zich ooit ontvallen (p. 419). Het herproduceren van beelden, net als zijn vervalsingen overigens, kan men met enige goede wil zien als het bespelen van de commerciële markt – en dus als een vorm van verzet ertegen – al is het, net als in talrijke werken van Magritte, nooit helemaal zeker wie er met wie speelt, waar het beeld ophoudt een beeld te zijn en een vorm van verraad of bedrog wordt. Het is deze dubbelzinnigheid die hij consequent wist te belichamen, zowel in zijn werk als in zijn leven.

Magritte : een leven
Alex Danchev (auteur), Sarah Whitfield (auteur), Cornelis van Ginneken (vertaler)
Spectrum, 2021
558p.
ISBN: 9789000374526
- De vergeten avant-garde: Adya en Otto van Rees in het musée de Montmartre - juli 14, 2026
- UNTIL III, een ontmoeting met drie verschillende, intieme beeldtalen - juli 11, 2026
- Biografieën om te lezen deze zomer (#4): Louise Bourgeois - juli 10, 2026



