You Have Seen Too Much: schrijver Peter Terrin debuteert als fotograaf

Dat sommige Nederlandstalige dichters en romanschrijvers zich graag lieten of laten opmerken als fotograaf is onder literatuurliefhebbers bekend. Wij denken dan in de eerste plaats aan de Nederlandse dichter Lucebert (1924-1994) en aan zijn romans schrijvende landgenoot Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hermans publiceerde in 1969 onder de titel Fotobiografie een eerste fotoboek, en in 1986 een tweede: Koningin Eenoog. Postuum verscheen van hem ook nog Vrij belangrijke foto’s (2022). Luceberts uitgeverij bracht in 1987 zijn fotoboek Het hart van de zoeker uit. Ook de Nederlandse schrijvers en beeldend kunstenaars Armando (1929-2018) en Jan Cremer (1940-2024) lieten zich op dat vlak niet onbetuigd. In Vlaanderen lijken fotograferende schrijvers minder dik gezaaid, en dat is nog eufemistisch uitgedrukt. Stijn Streuvels fotografeerde, maar het enige fotoboek dat van hem bestaat, Fotografisch werk (2021), verscheen 52 jaar na zijn overlijden naar aanleiding van zijn 150ste geboortedag. Wij zochten en vonden slechts één hedendaags voorbeeld: de Vlaming Peter Terrin (1968, Tielt). Recent publiceerde de romanschrijver onder de titel You Have Seen Too Much een fotoboek met analoge zwart-witfoto’s die hij de laatste zeven jaar bij elkaar fotografeerde. Een verslag.

Prijsbeest

De succesvolle schrijver Peter Terrin debuteerde in 1998 met de verhalenbundel De code. Daarna volgden nog een verhalenbundel, elf romans, enkele theaterteksten en een handvol verspreide kortverhalen. Zijn beklemmende vertellingen doen vaak denken aan het werk van Franz Kafka en Willem Frederik Hermans. Na lectuur, op 23-jarige leeftijd, van Hermans’ roman De donkere kamer van Damokles (1958), zette Terrin zich zelf aan het schrijven. En dat liep gesmeerd. Zijn roman Vrouwen en kinderen eerst (2004) werd kort na de publicatie ervan door het weekblad Knack opgenomen in de Top 50 van 200 jaar Vlaamse literatuur, terwijl zijn verhalenbundel De bijeneters (2006) werd bekroond met de Prijs voor Letterkunde van West-Vlaanderen 2008. Zijn grote doorbraak bereikte de schrijver met de roman De bewaker (2009). Het boek werd een internationaal succes, met vertalingen naar minstens 16 andere talen, en sleepte in 2010 de EU Prize for Literature in de wacht. Twee jaar later won Terrin de AKO Literatuurprijs voor zijn roman Post mortem (2012). In 2022 won hij voor zijn roman Al het blauw (2021) achtereenvolgens de Cutting Edge Award, de Confituur Boekhandelsprijs en de Confituur Publieksprijs. Zijn voorlopig laatste roman, Nog lang geen winter (2025), is genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2026. Op maandag 11 mei maakt de jury de winnaar bekend.

Nieuw leven

Peter Terrins fotoboek komt niet als een deus ex machina uit de hemel gevallen. Van 1 juli tot 31 augustus 2018 stelde hij al foto’s tentoon in rooftopbar Gaston te Gent. Vijf jaar later, naar aanleiding van kunstenfestival GIST in de Zennevallei, exposeerde hij in het Huis van Herman Teirlinck te Beersel, en in kunstorganisatie Pictura in Dordrecht nam hij vorig jaar deel aan de expo How to End. Bij de publicatie van zijn jongste roman maakte hij dan weer een fotoreeks die verspreid tentoongesteld werd in onafhankelijke boekhandels.

Voor de volledigheid: You Have Seen Too Much bevat niet alleen foto’s (een honderdtal), maar ook dertien teksten van Terrin. Ze zijn op twee na getypt in machineschrift op repen papier en bevatten doorhalingen en verbeteringen in potlood, alsof het om zetproeven gaat. Geschreven in een heldere en onopgesmukte taal zijn ze aan de raadselachtige kant en lijken ze na een eerste lectuur niets te maken te hebben met de foto’s. Maar dat is slechts schijn. Zo is op pagina 95 een foto van de Vlaamse auteur Christophe Vekeman te zien, een vriend van Terrin. Hij is gehuld in een korte leren vest, een blauwe jeans, zwarte boots en draagt een cowboyhoed. In zijn linkerhand houdt hij een zwarte aktetas. De tekst op pagina 97 verwijst naar hem. Het lijkt wel een fragment uit een roman: ‘Het viel me op dat zijn diplomatenkoffertje ondanks zijn tred roerloos aan zijn arm hing. Ik had hem nog nooit zonder het koffertje gezien. Altijd in zijn linkerhand.’

© Peter Terrin

De tekst op pagina 139 verwijst dan weer naar de foto op pagina 141. Daarop zien we op een verlaten betonstrook een jongen op een step over een dwars geplaatst skatebord springen. De tekst, getiteld Zelfportret, heeft het karakter van een jeugdherinnering: ‘Ik verdwaal in de havenbuurt en herken de jongen. Ik kijk naar mezelf. Hij wil dit alleen doen, zonder getuigen, hij weet een plek waar niemand komt. Hij is nerveus maar hij moet het proberen, opnieuw, hij heeft geen vrede. Ik zie hoe hij zijn skateboard midden op de grond zet, ervan wegloopt en zich omdraait als in een duel. Dan zet hij een voet op zijn step en duwt zich af. Hij maakt snelheid, trekt zijn andere voet bij op de plank. Hij buigt door zijn knieën naar de sprong. Zijn hart raast, zijn ogen staren. Daar ligt het skateboard dwars op zijn baan. Daar begint een nieuw leven.’

©Peter Terrin

Philip Perkis

De enige twee teksten in het boek die niet op een mechanische schrijfmachine zijn getypt, zijn afgedrukte e-mails, maar ook daar zijn met potlood enkele correcties in aangebracht. In de eerste, daterend van 1 juni 2022, richt Terrin zich tot Philip Perkis. Perkis (1935-2025) was een Amerikaans fotograaf en docent, vooral bekend om zijn ingetogen zwart-witfotografie. Zijn onderwerpen waren even eenvoudig als alledaags: landschappen, portretten en straatbeelden. Perkis was van mening dat techniek ondergeschikt was aan aandacht en intentie. Terrin was een bewonderaar van zijn werk. In zijn e-mail drukt hij zijn spijt uit over het feit dat Perkis’ gezichtsvermogen afneemt, en voegt eraan toe dat dat misschien hieraan te wijten is dat hij te veel heeft gezien in zijn leven: ‘Maybe – I was thinking this morning, just awake – maybe you have seen too much.’ Het is aan die laatste frase, die zo uit de pen van fotoliefhebber Herman de Coninck had kunnen komen, dat het boek zijn titel ontleent. Het fotoboek is overigens ‘Dedicated to the memory of Philip Perkis (1935-2025)’.

Bladerend door You Have Seen Too Much, kan je niet anders dan tot de conclusie komen dat Terrins foto’s verwantschap vertonen met die van Perkis, zonder in epigonisme te vervallen. Net als de Amerikaan fotografeert Terrin straatbeelden en landschappen. Hoewel in zijn fotoboek nogal wat mensen voorkomen, valt er slechts één portret in te bespeuren: dat van een jongetje op pagina 126. Van zijn foto’s zei Terrin in een interview dat hij zich als fotograaf ergens tussen straat-, landschaps- en kunstfotografie bevindt. Straten en landschappen, ja, maar kunstfotografie? Het hangt er natuurlijk vanaf wat je daar precies onder verstaat. Is een foto waar technisch en compositorisch niets op aan te merken valt per definitie een kunstfoto? Of zijn kunstfoto’s foto’s die op het neurotische af perfect in scène gezet en geregisseerd zijn, zoals die van Erwin Olaf, Jeff Wall of Gregory Crewdson? Wij vinden het moeilijk die vraag te beantwoorden. Bij sommige foto’s in You Have Seen Too Much moesten we onwillekeurig denken aan het werk van Dirk Braeckman, die als kunstfotograaf wordt beschouwd en wiens werk momenteel wordt vertegenwoordigd door Tim Van Laere Gallery. Zo bijvoorbeeld de foto’s op de pagina’s 49, 115 en 117. Toch geldt ook hier weer dat Terrin geen epigoon is, maar iemand die, sinds hij in 2016 begon te fotograferen, vrij snel een eigen stijl heeft gevonden – een gegeven dat ook opgaat voor zijn boeken.

© Peter Terrin

Rafelranden

Als fotograaf houdt Peter Terrin zich liefst op aan de rafelranden van de stad, waar verlaten bedrijven en fabrieken, verkrotte huizen, vervuilde waterlopen, hoog opschietend onkruid, in onbruik geraakte treinsporen, desolate parkeerterreinen en met graffiti besmeurde schuttingen schering en inslag zijn. Waar troosteloosheid en haveloosheid een onderkomen hebben gevonden en zich thuis voelen, weg van de beschaving in de binnenstad. Dat betekent niet dat het al kommer en kwel is op Terrins foto’s, wel dat hij oog heeft voor waar anderen achteloos aan voorbijgaan of liever van wegkijken. Waar het bij Terrin om gaat, is geconcentreerd waarnemen, een staat van ontvankelijkheid bereiken waar je al de vensters en kieren van je geest voor moet openstellen. Om zien ook, een verhevigde vorm van kijken. Een soort zesde zintuig dat je kunt ontwikkelen als je er aanleg voor hebt.

Een van de eerste foto’s in You Have Seen Too Much toont een weide, afgespannen met vier rijen prikkeldraad boven elkaar. De bovenste drie rijen zijn aan elkaar vastgemaakt met wat op het eerste gezicht een reep plastic lijkt. Het is, zelfs met behulp van een vergrootglas, moeilijk te zien. Maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat Peter Terrin het gefotografeerd heeft en er dus aandacht aan heeft geschonken, waardoor het ook voor de beschouwer van zijn werk een voorwerp van interesse is geworden. Andere foto’s zijn al even subtiel: op pagina 31 zien we een bosje bomen. Op zich niets bijzonders, tot je ziet dat op een boom in het midden van de compositie een witte bol is geschilderd en ook op twee bomen in de voorgrond – een helemaal links in beeld en een helemaal rechts in beeld. Als je die witte stippen met elkaar zou verbinden, dan zouden ze een driehoek vormen. Zoiets moet je als fotograaf zien.

Nog een andere foto (p. 82-83) toont enkele hoge kantoorgebouwen en appartementsblokken. We zien er vooral veel ramen op, sommige donker, andere verlicht. Tot je oog valt op een vierkant kunstwerk achter een van de verlichte ramen, vrijwel centraal in de compositie. Het gaat om een van de beroemde Marilyn Monroe-portretten van kunstenaar Andy Warhol. Om dat te zien heb je zelfs geen vergrootglas nodig. Een beetje kunstliefhebber stelt zich dan de vraag of het om een reproductie gaat of om een originele zeefdruk. Alweer goed gezien van Terrin.

© Peter Terrin

Beeldrijm

Voor wie goed kijkt, valt er ook veel beeldrijm op Terrins foto’s te ontdekken. Enkele voorbeelden. Op pagina 50 zien we een witgeschilderde woning op de gevel waarvan zich van rechts naar links kale klimopranken vertakken. Er lijkt beweging te zitten in de manier waarop de ranken aan de gevel zijn vastgehecht. De beweging start vanuit de gevelhoek, waaronder zich de rechte hoek van een balkon bevindt. Op de tegenoverliggende bladzijde zien we deels de achterkant van een geparkeerde auto onder een afdekzeil. Alleen het linker achterwiel en een deel van de achterbumper zijn te zien. De kreuken in het zeil suggereren beweging, op een gelijkaardige wijze als de ranken aan de gevel op de foto ernaast. De rechte hoek van het balkon stemt dan weer overeen met de linker achterhoek van de auto. Het gaat hier om een geval van beeldrijm tussen twee thematisch verschillende foto’s die door de fotograaf bewust naast elkaar zijn geplaatst. Opdat de kijker het zou zien. In de hoop dát hij het zal zien.

© Peter Terrin

Een voorbeeld van beeldrijm op één foto treffen we aan op bladzijde 75. De foto is genomen in een autovrije (winkel)straat en focust op de grond. We zien onder meer de onderbenen van passanten. Maar daar ging het Terrin tijdens de opname niet om. Wel om een kinderwagen die links in beeld te zien is en waarin een kind met opgetrokken benen op zijn zij ligt te slapen, het hoofd afgewend van de kijker. En om een op de straatstenen liggende sculptuur ernaast, rechts in beeld, die een naakte figuur voorstelt die, eveneens met half opgetrokken benen en op zijn zij, ook lijkt te slapen. De visuele verwantschap is zo frappant dat je er niet naast kunt kijken. Wat een toeval dat de kinderwagen net in beeld kwam op het ogenblik dat de fotograaf zich vlak voor de sculptuur bevond. Een kwestie van geluk of een kwestie van geduldig wachten tot het toeval een handje kon worden geholpen? Feit is dat sommige fotografen er urenlang wachten voor over hebben om tot een foto te komen die al op hun netvlies gebrand staat lang voor hij is genomen. Ook dat is een proeve van fotografisch talent.

Sculpturen van licht

Sommige fotografen hebben iets met geometrie, symmetrie, balans en evenwicht. Hun foto’s doen geconstrueerd aan. Voor ze afdrukken zorgen ze ervoor dat het voorwerp van hun interesse tot op de millimeter perfect gekadreerd is. Ze fotograferen berekend. Alle verhoudingen moeten kloppen. Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat ze aan fotografische wiskunde doen. Dat is voor alle duidelijkheid niet negatief bedoeld. Wij willen er alleen maar mee aangeven dat er ook fotografen zijn die het anders aanpakken en tot even geslaagde resultaten komen. Peter Terrin is zo’n fotograaf. Niet dat hij geen oog heeft voor ritmiek, repetitieve patronen of corresponderende beeldelementen. Hij is er alleen niet zo nadrukkelijk mee bezig. Zoals we hierboven al schreven is hij, net als zijn grote voorbeeld John Perkis, van mening dat techniek ondergeschikt is aan aandacht en intentie. Sommige van zijn foto’s ogen dan ook meer als snapshots. Terrin ziet iets wat hem treft, richt er zijn camera op en drukt af. Soms oogt het resultaat slordig, onscherp, uit de haak en lukraak. En toch zijn het allemaal goede foto’s. Zo kan het dus ook, en dat is net het fascinerende aan fotografie: het medium laat zich kneden zoals klei, en afhankelijk van wie het kneedt kan het oogstrelende beelden opleveren. Sculpturen van licht die nog lang nagloeien nadat het daglicht is gedoofd. Met You Have Seen Too Much profileert Peter Terrin zich voortaan niet alleen als een man van woorden, maar ook als een leverancier van beelden die kunnen gelezen worden als een beklijvende roman.

©Peter Terrin


Peter Terrin: You Have Seen Too Much, De Bezige Bij, Amsterdam, 2026, 144 blz., 24 bij 22 cm, € 34,99. Het boek is verkrijgbaar of te bestellen in elke boekhandel.


Share This Post On

Submit a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op