Het probleem met de kunst vandaag, zo heeft de Roemeense essayist en filosoof Cioran gezegd, is dat de kunst tegelijk zeer gemakkelijk, en zeer moeilijk is geworden. Gemakkelijk, inderdaad, want vandaag, sinds Marcel Duchamp en de conceptuele kunst, kan alles kunst zijn, het gaat allang niet meer om vormelijke schoonheid of een vorm van vakmanschap, – zoals mijn collegeleraar zei, kunst is niet meer de superlatief van ‘kunnen’ -. En ook wanneer men zou menen dat het in de beeldende kunst toch nog eigenlijk altijd om beelden gaat, is het evident dat, met de middelen van vandaag, iedereen zonder moeite aantrekkelijke, fascinerende, perfecte beelden kan maken, of ze nu door machines op bestelling kan laten maken, en we overspoeld worden door een tsunami van perfecte, verleidelijke, betoverende beelden. En, allicht, ook, door te veel kunst. Maar net omdat kunst en beelden maken zo gemakkelijk is geworden, is de kunst tegelijk zo moeilijk geworden. René Magritte heeft in een interview, aan het eind van zijn leven, gezegd, “Je cherchais quelque chose à peindre”. Ik zocht iets om te schilderen. Inderdaad: wat is de moeite van het schilderen waard? Wat verdient er een beeld? De schilder antwoordt met zijn werk.
Dus: waarom, te midden van de wonderbaarlijke oneindige vermenigvuldiging van de beelden, en de voortdurende banalisering van het beeld, nog de moeite doen om te schilderen? Wat Johan Heylen daarover te zeggen heeft – zijn antwoord hangt hier. Wat is er hier te zien?
Vergeef mij dat ik de titels van de werken soms erg vriendelijk vind, en niet helemaal vertrouw: ze verwijzen immers dikwijls naar ‘menselijke’ gevoelens en existentiële ervaringen. Maar deze onbeweeglijke, wat monumentale, frontaal getoonde, geïsoleerde figuren zijn, meen ik, niet thuis in deze/onze wereld, en ze zijn niet menselijk. Wat kenmerkt de soort die Johan Heylen schildert? Die wezens – die gezichten – hebben, op het eerste zicht, iets dierlijks – de brede mond die bijna een muil is, zonder hals of met een brede hals die doorgaans direct overgaat in de romp, en uit elkaar staande of hoog geplaatste ogen, gezichten zonder voorhoofd. Maar hun onmenselijkheid is toch niet dierlijk. Ze staan rechtop. Deze figuren tonen niet een vroegere, primitieve vorm in de evolutie, het zijn geen dieren onderweg naar wat wij zijn. Ze herinneren niet, meen ik, aan wat wij geweest zijn. Het zijn geen dieren, maar ook geen monsters, ze zijn niet vervormd, niet mislukt. Ze verbeelden, meen ik, een conceptuele variant, het schema van een bijzondere vorm van ‘subjectiviteit’. Want daar is in die grote bolle hoofden zeker wel een ‘aanwezigheid’, daar is een vorm van innerlijkheid, daar is ‘voelen’ en een soort (zelf)besef. Ze kijken (terug). Maar het wel gaat om een andere, een gereduceerde en gesimplificeerde subjectiviteit, die samengesteld is, in wisselende verhoudingen, uit slechts een beperkt aantal van de elementen of bouwstenen van onze – de menselijke – subjectiviteit. Waardoor er niets echt vreemd voelt, maar we ons – meen ik – ook niet herkennen.
Vooreerst valt op dat de figuren meestal wel een soort mond hebben. En altijd een oog of ogen – er is dus dikwijls een blik, iets wat door in zichzelf het verzonken-zijn van het passief zichzelf ‘voelen’ heen breekt, dat naar buiten gericht is, en contact zoekt. Maar ze hebben geen oren. De figuren kijken dus wel, of ze kijken terug, maar ze horen niets, en luisteren dus niet. En hun mond is dikwijls breed, maar dun, slechts een streep, dat wil zeggen: zonder lippen, en gewoonlijk dicht, en soms zelf lijkt de mond dichtgeknepen, of dichtgenaaid. Ze spreken niet, ze schreeuwen ook niet, ze uiten zich niet, ze bestaan – zo lijkt het – nog voor er taal is, en hebben een bestaansaanvoelen zonder ‘monologue interieur’, ze hebben een kalme binnenkant.
Geen oren, maar ook, meestal, geen neus, d.w.z. ze hebben hoofden maar (slechts) het begin van een gezicht: de neus, het centrum dat de middenas aangeeft en het gelaat precies in twee helften verdeelt, het gelaat regelmatig en symmetrisch maakt, ontbreekt. Samen met de brede hoofden met hun licht onregelmatige vorm laat dat vermoeden dat ze, binnenin, niet scherp geconcentreerd zijn, dat wil zeggen: dat er wel gevoel en besef is, maar geen ‘ik’ – om een ik te zijn moet je ‘ik’ kunnen zeggen, moet je kunnen spreken.
Even opmerkelijk: geen lippen – gedurige zelf-aanraking. En de soort is kaal, ze heeft geen haren. (Met een kapsel zouden ze er inderdaad vreemd, onwaarschijnlijk uit zien.) Wat het inhoudt dat ze haartooi missen is natuurlijk, vermomd, de vraag, wat hoofdhaar, en het gedurig terloops aanraken van het eigen haar (en hoofd), met ons doet. En dat gaat, op een heel specifieke wijze, wellicht over het begin van naar buiten en naar binnen gaan, het gaat over zich uiten en over wrijven en voelen, over tasten en nabijheid voelen, over de aanraking en het geraakt worden. Deze wezens hebben echter compacte, kale, wat gedrongen lichamen. Ze zijn niet kwetsbaar naakt, ze bestaan gewoon zonder kleren. Ze hebben soms geslachtskenmerken, vooral vrouwelijk, die echter als lokale kenmerken, apart, op het lichaam zijn geplakt, en niet uitstralen, tot het hele lichaam ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ wordt; de ledematen blijven heel dicht bij het lichaam ofwel hangen, als sprieten, krachteloos of geatrofieerd, aan of onder de romp. Ze reiken niet uit, ze exploreren niet. Het zijn geen tastende, handelende lichamen – om te handelen heb je handen nodig.
En Heylen schildert deze figuren alleen, of wanneer ze dan toch bijeen zijn, naast elkaar, dan quasi zonder interactie. En hij schildert ze steevast op een egale, niet-geïdentificeerde, altijd donkere fond. Ze bestaan in een picturaal veld, zonder ‘omgeving’: ze zijn niet ergens, niet in een wereld die waar ze thuis zijn, maar evenmin in een wereld waarin ze verdwaald zijn.
Wie zijn deze intrigerende wezens, wat stellen ze voor? Een voorzichtige hypothese, een vermoeden: ik denk dat ze bestaan, dat ze balanceren, op de kanteling tussen binnen en buiten, in de zeer mysterieuze zone tussen wat we innerlijkheid noemen en wat de filosofen aanduiden met ‘in-de-wereld-zijn’, dat ze zich ophouden bij of op die denkbeeldige grensovergang, die we niet begrijpen maar goed kennen, omdat we er gedurig, zonder halt te houden, voorbij komen.




©Johan Heylen: Ca voulait dire, on est heureux | Mens | Maar Hij is er continu Zie dan
De expo “Mensen Onderweg” is nog tot 12 september te zien in de Faculty Club KUL, Begijnhof Leuven.
- Johan Heylen ‘Mensen Onderweg’ in de Faculty Club, KUL - juli 24, 2025



