Van Dagblind tot White Heat: de bijzondere beeldtaal van fotograaf Paul D’Haese

Paul D’Haese (1958, Ninove) is opgeleid als interieurarchitect en later ook als fotograaf. Zijn foto’s, hoe gewoon ze er ook uitzien in hun ongewoonheid, hebben vaak iets unheimlichs. Er trilt een nauwelijks voelbare spanning in mee die je als kijker niet precies kunt duiden. Dat maakt dat je er kunt blijven naar kijken, zonder dat de verveling toeslaat. Van 25 april tot 31 mei stelt D’Haese onder de titel White Heat 32 nieuwe foto’s tentoon bij IMAGINAIR Art/space in Elsene. Een impressie.

©Paul D’Haese

Kleurintensiteit

Fotograferen doet Paul D’Haese al sinds zijn puberteit. Zijn eerste stappen als fotograaf zette hij op de redactie van een alternatieve stadskrant. Daarnaast oefende hij meer dan dertig jaar het beroep van interieurarchitect uit. Pas rond zijn dertigste besloot hij ook fotografie te studeren: eerst aan de kunstacademie in Sint-Niklaas, later aan die van Anderlecht. In 1993 volgde hij een masterclass bij de Britse landschapsfotograaf John Davies. Sinds 1997 stelt hij zijn werk tentoon in binnen- en buitenland.

Van zodra er digitale fototoestellen op de markt kwamen, liet D’Haese analoge fotografie achterwege en schakelde hij tegelijk grotendeels over van zwart-wit- naar kleurenfotografie. ‘Digitale fotografie,’ zegt hij, ‘laat me toe om de kleurintensiteit uit de omgeving te halen.’ En dat is net waar hij naar streeft. Zijn fotoboek Borderline (2021), dat alleen foto’s bevat die hij gedurende drie jaar nam aan de Noord-Franse kust, tussen Bray-Dunes en Le Havre, wemelen van de vale luchten. Die vindt hij beter passen bij het verpauperde landschap daar. Een exuberant kleurenpalet tref je ook in zijn andere fotoboeken niet aan: Dagblind (2010) en Winks of Tangency (2018). In het eerste boek is slechts één kleurenfoto opgenomen en dat is de laatste, alsof D’Haese er al wilde mee aantonen dat zijn volgende boek helemaal in kleur zou zijn. In Winks of Tangency zijn foto’s opgenomen die D’Haese tussen 2013 en 2018 nam in België. Zijn laatste publicatie, Replica Falsifica (2023), is heel anders van opzet: het is een genummerd en gesigneerd artists’ book van 36 pagina’s op betonkleurig karton in de vorm van een leporello. Het fraaie kleinood omvat een collectie van archetypische beelden, foto’s van landschappen en van objecten aangekocht op het internet. De beelden en de foto’s oscilleren tussen fictie en realiteit – een interessante tegenstelling in het werk van de fotograaf.

Dagblind

Wat Paul D’Haese fotografeert is de werkelijkheid, non-fictie, maar hoe hij die werkelijkheid in beelden vat, is fictie. Een blinde zijgevel is bij hem nooit zomaar een blinde zijgevel, maar een verbeelde zijgevel die er hyperrealistisch of zelfs surrealistisch uitziet. De vraag rijst dan hoe hij dat klaarspeelt. Hoe maakt hij van op het eerste gezicht documentaire foto’s ‘verzonnen’ foto’s? Hoe zet hij de werkelijkheid zo naar zijn hand dat het gefotografeerde deel lijkt uit te maken van een andere realiteit? Om op die vraag een min of meer sluitend antwoord te kunnen geven, is het noodzakelijk eerst te beschrijven wat D’Haeses fotoreeksen tonen.

Dagblind, zijn debuut, telt 22 zwart-witfoto’s en één kleurenfoto. Ze zijn allemaal genomen met een analoge middenformaatcamera en tonen landschappen, architectuurbeelden, interieurs en portretten. De fotograaf nam ze tussen 1997 en 2007 op vertrouwd terrein in België en Frankrijk, waar hij lang een huis had in het noorden van het land. De portretten, drie in totaal, ogen ongewoon omdat de mensen die erop voorkomen – allen familieleden van de fotograaf – de ogen gesloten houden. Het eerste portret, waarmee het boek opent, toont een vrouw van wie het rechteroog door een medische ingreep niet dicht kan. Haar iris is naar boven gedraaid, zodat je alleen haar oogwit ziet. Strikt gezien zijn haar beide ogen gesloten, alleen lijkt dat niet zo. Dat gegeven zou symbolisch kunnen staan voor D’Haeses aanpak als fotograaf en verwijst tegelijk naar de titel van het boek. Die werd bedacht door wijlen De Witte Raaf-medewerker Erik Eelbode, die een essay schreef voor Dagblind. Dat begint met een vraag: ‘Kan je een gelaat met gesloten ogen vergelijken met een blinde gevel?’

©Paul D’Haese

Less is more

Eelbode verwijst voor een antwoord naar kunstcriticus Dirk Lauwaert (1944-2013). Lauwaert had een theorie over beelden met gesloten ogen. Volgens hem laten die de kijker niet alleen botsen op een gelaat dat geen regels aanbiedt, geen dialoog voert, maar deze ook afwijst: ‘En dat beeld, zegt Dirk Lauwaert, blijkt ook een impliciete kritiek in te houden op de kijkact zelf. Het werkelijke is onzichtbaar. De fotografie toont slechts de schijn. Nachtblind ben je wanneer je in het donker elk gevoel voor vorm en richting verliest. Zijn deze foto’s ‘dagblind’?’

Daarbij aansluitend legt Eelbode er de nadruk op dat in de drie portretten in D’Haeses eersteling eenzelfde soort planmatige aanpak klinkt als in zijn landschappen en architectuurbeelden, die het grootste deel van zijn werk uitmaken. Eenvoud, strakheid en minimalisme – samengevat als less is more – is zijn devies. Het zijn de eigenschappen waar hij ook als interieurarchitect naar streefde. Tegelijk slaagt D’Haese er consequent in om de werkelijkheid te omzeilen en ze zó te fotograferen dat er een onzichtbare component aan wordt toegevoegd. Zijn foto’s overstijgen het documentaire en situeren zich tussen conceptuele kunst en visuele poëzie. D’Haese toont de werkelijkheid op zo’n manier dat je er als kijker aan begint te twijfelen.

Leegte

Bladerend in Borderline krijg je tientallen foto’s onder ogen die genomen werden aan de Noord-Franse kust, veelal buiten het toeristische seizoen. Zeegezichten en dijken tref je er maar weinig op aan, maar des te meer straten, steegjes, parkeerplaatsen, appartementsgebouwen, vakantiewoningen, halfvergane monumenten en – vooral – afbakeningen in de onmiddellijke omgeving ervan. De foto’s hebben allemaal één ding gemeen, en dat is leegte. Zelfs als hun beeldvlak goed gevuld is, zien ze er leeg uit, en dat komt grotendeels omdat er geen mensen op te zien zijn. De neergelaten rolluiken, de lege parkeerplaatsen, de verlaten straten, de stranden zonder toeristen: ze hebben een apocalyptische aanblik, alsof de bevolking over een 350 km lange strook is weggetrokken voor een dreigende ramp. Tsjernobyl aan de Noord-Franse kust, met stralingsgevaar dat nog lang niet is geweken, zoiets. Op slechts één foto is een mens te zien, maar die oogt meer als een sculptuur van Panamarenko dan als een wezen van vlees en bloed. Het gaat om een brandweerman-duiker in een zwarte wetsuit die doodstil op de reling van een vlonder staat. Hij is erop voorbereid dat hij in het zilte water moet springen, maar hij maakt nog geen aanstalten. Hij lijkt vooralsnog ‘bevroren’.

©Paul D’Haese

Vertekeningen

In de openingsalinea van deze bijdrage schreven we dat D’Haeses foto’s iets unheimlichs hebben en dat er een nauwelijks voelbare spanning in meetrilt. Dat heeft enerzijds te maken met de ‘ontzielde’ wereld die D’Haese fotografeert en anderzijds met hoe hij zijn onderwerpen in beeld brengt. In zijn uitstekende tekst in Winks of Tangency heeft Francis Denys het wat dat betreft over vertekeningen en over de tangentiële werking van D’Haeses foto’s. Tangentieel betekent ‘rakend aan’ of ‘langs een raaklijn gericht’. Het geheim daarvan schuilt in de manier waarop de fotograaf gebruikmaakt van de ruimte die hij wil vastleggen. Zoals elke fotograaf probeert D’Haese de ideale positie te vinden om de foto te maken die hij op het oog heeft – fotografie is immers een statisch medium. Je kunt het vergelijken met de invalshoek die een journalist bedenkt voor een artikel: die bepaalt het verdere verloop van de tekst, geeft er richting aan en bepaalt de uitkomst.

Net zoals in de schilderkunst bestaan er ook in de fotografie vertekeningen van het lineaire perspectief, zoals de trompe-l’œil en de anamorfose, een bewust sterk vervormde afbeelding die pas vanuit een specifieke, vaak schuine hoek of via een spiegelend voorwerp (zoals een cilinder) een realistisch, niet-vervormd beeld toont. Als D’Haese een positie heeft ingenomen ten opzichte van zijn onderwerp, dan heeft hij een meetkundige beweging gemaakt. Kijkt hij in zijn zoeker om de uitsnede te bepalen, dan doet die uitsnede hetzelfde: ze maakt een ‘secure, bijna wiskundige beweging. Hierbij vormt het lichaam en de blik van de fotograaf een tangens, de raaklijn die de verhouding aangeeft voor het innemen van een hoek tegenover het onderwerp in het landschap. (…) De aldus in de tangentiële beweging in het beeld betrokken toeschouwer stoot in de foto’s van Paul D’Haese op afbakeningen, vaak blinde of blindgemaakte muren.’ En het zijn precies die foto’s die vaak voor een lichtjes ontregelend, surrealistisch of hyperrealistisch effect zorgen, en maken dat er een nauwelijks voelbare spanning in meetrilt. Iedereen kan foto’s maken, maar niet iedereen kan geslaagde foto’s maken. De hoek van waaruit je foto’s neemt, samen met nog een aantal andere belangrijke factoren, doet ertoe.

Tangency

Wat de foto’s van Paul D’Haese extra interessant maakt, is dat hun voorgrond vaak een dimensie toevoegt aan het eigenlijke onderwerp. Zo prijkt in Winks of Tangency een foto van een parkeerplaats in het midden waarvan een helemaal door groen overwoekerd gebouw staat, aan de vorm te zien wellicht een watertoren. Die ‘groentoren’ oogt op zich al indrukwekkend, maar de met witte lijnen afgebakende parkeervakken op de voorgrond ervan voegen er met hun geometrisch lijnenspel het soort contrast aan toe dat nog het best omschreven kan worden als cultuur versus natuur, het kunstmatige versus het organische. Francis Denys: ‘Paul D’Haese gaat in het ons omringende, per definitie stedelijke landschap op zoek naar dergelijke ‘vertekeningen’ en maakt ze ons deelachtig via een tangentiële werking, de tangency, van zijn fotografische werk. Zijn zorgvuldige gebruik van horizontale en diagonale dynamieken binnen een zo loodrecht mogelijk gehouden verticaliteit, een ter plaatse precies afgemeten kadrering, en subtiel uitgewerkte kleuren en belichting, zorgen ervoor dat deze tangency helder en onontkoombaar is.’

©Paul D’Haese

Focus

Paul D’Haese maakt op het eerste gezicht documentaire foto’s. Documentaire fotografie is een stijl binnen de fotografie die gericht is op het vastleggen van de werkelijkheid zoals die is, zonder (of met zo min mogelijk) enscenering. De stijl – of net het gebrek eraan – wordt vaak gebruikt om verhalen te vertellen over mensen, gebeurtenissen of maatschappelijke situaties, terwijl de foto’s meestal een duidelijk beeld tonen van een bepaalde tijd en plaats. Ze functioneren als een soort visueel document van de geschiedenis. Hoewel compositie belangrijk blijft, ligt de nadruk bij documentaire fotografie vooral op de betekenis en boodschap van een foto, en dus niet alleen op schoonheid. Paul D’Haeses foto’s vertellen geen verhaal en willen dat ook niet. D’Haese probeert de werkelijkheid net ‘anders’ weer te geven. Zijn onderwerpen liggen elders dan wat zijn foto’s tonen, ook al lijkt dat niet zo. Ze bestaan eerder bij de gratie van de suggestie, van het niet zichtbare. Nergens is dat duidelijker dan in de reeks nieuwe foto’s die hij toont bij IMAGINAIR Art/space.

D’Haeses nieuwe foto’s sluiten aan bij die in zijn fotoboeken – hoe kan het ook anders? –, maar zijn nog meer uitgepuurd. Schraler ook. Al het overbodige, al het naast de kwestie zijnde is eruit weggelaten. Er zit bij manier van spreken geen grammetje vet meer aan. Van anekdotiek is geen sprake. Wat blijft is pure focus. Focus op vaak schijnbaar onbeduidende dingen en situaties: een berg rotsen tussen twee witte huizen in, een witte muur met een deurvormige opening waardoorheen een stukje azuurblauwe zee zichtbaar is, een hoekje van een zonverlichte binnenplaats, een achtergevel waarvoor een witte auto staat waarvan de ramen en de wielen zijn afgeplakt (klaar om opnieuw gespoten te worden?), een witte muur waarop een arm en hand geschilderd zijn, een grillig gevormd huizenblok met felwit geschilderde muren waarin op slechts enkele plaatsen een piepklein raampje uitgespaard is. Soberheid troef, met wit als centrale kleur.

Witheid als grens

Dat er zoveel wit in D’Haeses nieuwe foto’s te bespeuren valt, heeft enerzijds te maken met het feit dat de fotograaf ze nam in warme oorden als Spanje en het eiland Lanzarote – en in België en Frankrijk, om volledig te zijn. Daar heeft wit een functie: het weerkaatsen van de zon op hittedagen om het binnenshuis draaglijk te houden. Het is niet voor niets dat de tentoonstelling White Heat als titel heeft, witte hitte, met ‘about loss, when everything turns white hot’ als motto. Anderzijds verwijst al dat wit naar het uitgangspunt van D’Haeses nieuwe reeks: het observeren van leegtes tussen witte gebouwen – een observatie die gaandeweg verschoof naar een onderzoek van wit als begrip. In een verklarende tekst bij de tentoonstelling klinkt het zo: ‘Wit manifesteert zich niet langer als vorm of oppervlak, maar als handeling: beschermen, verhullen, uitwissen. In die voortschrijdende abstractie ontstaat het denkbeeld van witheid als grens – een punt waarop intensiteit omslaat in verlies. White heat. Zoals het smelten van de poolkappen, waarin het verdwijnen van ijs voelbaar wordt, zo wordt hier de grens van wit tastbaar: een transitie van aanwezigheid naar afwezigheid, van concentratie naar ontbinding. Net zoals de aarde onder toenemende hitte verdampt wat ooit solide leek, wordt wit een metafoor voor een ‘tipping point’ waarin behoud omslaat in verdwijning.’

Wit om een territorium af te bakenen of te beschermen: we denken dan aan omheiningen of muren rond huizen om inkijk te vermijden, maar ook aan muren rond Afrikaanse dorpen die bescherming bieden tegen bijvoorbeeld wilde dieren. Van een existentiëler niveau wordt het wanneer wit verwijst naar het verdwijnen van iets zo substantieels als de poolkappen. Daaraan kunnen we begrippen koppelen als klimaatopwarming, stijgende zeespiegels en onbewoonbare kustgebieden. Toch doet D’Haeses fotoreeks White Heat nergens onheilspellend of moralistisch aan. De fotograaf steekt geen waarschuwende vinger op. Zijn foto’s blijven eruitzien als de werkelijkheid gefotografeerd alsof zij fictie is. Naast wit staat er trouwens nog een andere kleur in centraal: blauw. Die komt het opvallendst tot uiting in een foto van een aangestoken gasbekken met 32 blauwe vlammetjes. De heetste zichtbare vlam is onder normale omstandigheden blauw, maar in extreme gevallen wit. En wat 32 betreft: dat is het exacte aantal foto’s dat in de tentoonstelling White Heat te zien is. Symbolischer kan haast niet.

©Paul D’Haese

Afbakeningslint

In White Heat heeft blauw een dubbele functie: als afbakening en als deel van het kleurenspectrum van de foto’s. Wat dat laatste betreft: in vrijwel alle foto’s komt de kleur blauw voor, soms alleen maar als een zweem. Dat kan het blauw van de lucht of de zee zijn, maar ook het blauw van een voetbal, blauwe vensters, blauwe trappen of een blauwe lantaarnpaal. In sommige gevallen heeft D’Haese met behulp van Photoshop het blauw minder intens gemaakt. De fotograaf vermijdt immers felle kleuren in zijn werk, zijn palet is gedempt.

In de tentoonstelling is onder glas de portfolio te zien van de fotoreeks White Heat, bestaande uit losse bladen in een handgemaakte witte doos. De letters van de titel op het deksel van de doos zijn met een laser uitgebrand – een toespeling op de vernietigende kracht van hitte en vuur –, waarna de achterzijde met zwart canvas werd overplakt. De doos is geschilderd in witte verf zonder pigmenten. White Heat telt in totaal 46 foto’s. Daarvan worden er slechts 32 tentoongesteld, omdat de galerie maar zestien muren ter beschikking heeft waaraan meestal twee foto’s naast elkaar hangen. Elk muurvlak  toont een pagina uit de portfolio. Bijzonder aan de foto’s in de doos is dat ze links allemaal een blauw-witte boord hebben – een verwijzing naar afbakeningslinten. De foto’s aan de muren van de galerie hebben die boord niet, maar daar heeft D’Haese iets op gevonden: met zelfklevende blauw-witte plakband bakende hij op de vloer vóór de foto’s een geometrische zone af die de bezoekers in theorie niet mogen overschrijden. Zo wordt het begrip ‘afbakening’ plotseling wel heel concreet.

Maquettes

De verf op de doos van de portfolio benadert het wit van het fotopapier waarop de foto’s zijn afgedrukt. Die hebben geen rand en zijn ingelijst in een witte metalen kader. De formaten verschillen van foto tot foto, maar zijn in grootte beperkt tot 55 x 45 cm. Naast de foto’s en de portfolio is er in de tentoonstelling nog een maquette te zien. Die bestaat uit een witte plank – ook geschilderd in de witte basisverf zonder pigmenten – waarop een constructie staat die nog het meest lijkt op een serre waarvan de ramen gewit zijn, met daarachter een rechtstaande zwart-witfoto op karton die een verbrande olijfboom in Spanje voorstelt.

Maquettes zijn een constante in D’Haeses werk en zijn te herleiden tot zijn vroegere beroep van interieurarchitect. Ze komen voor in het fotoboek Borderline en in het artists’ book Replica Falsifica. Ze voegen een sculpturale dimensie toe aan de foto’s van D’Haese, die zelf ook getuigenis afleggen van volumes en ruimten en hoe die samen soms tot ronduit verbluffende architectonische hoogstandjes kunnen leiden, met inbegrip van gedrochten van woningen die een bric-à-brac vormen van blinde muren met piepkleine ramen erin, en met meer hoeken en kanten dan je voor mogelijk houdt.

©Paul D’Haese

Uniek

Wie het werk van fotograaf Paul D’Haese grondig bestudeert zoals we het kennen uit zijn drie fotoboeken en zijn artists’ book Replica Falsifica, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat hij opereert op internationaal niveau. Zijn foto’s zijn een schoolvoorbeeld van hoe fotografisch vernuft, originele ideeën en een heldere visie leiden tot beelden die een tijdloos karakter uitstralen. Hun beeldtaal is van dien aard dat je haast elke foto van hem uit de duizend herkent. D’Haese heeft, kortom, een stijl gecreëerd die helemaal de zijne is. Die stijl vertoont surrealistische of hyperrealistische trekjes die zijn ogenschijnlijk banale foto’s optillen tot artefacten waarvan een gevoel van vervreemding uitgaat, en die in sommige gevallen zelfs onbehagen kunnen oproepen. Zijn foto’s zien er op het eerste gezicht realistisch uit, maar zorgen bij nader inzien voor een conceptuele twist en bieden daardoor verrassende perspectieven. Probeer D’Haese te imiteren en je komt gegarandeerd van een kale reis terug. Zijn foto’s zijn uniek.


De solotentoonstelling White Heat van Paul D’Haese loopt van 25 april tot 31 mei 2026 in galerie IMAGINAIR Art/space, Provooststraat 99, 1050 Elsene. Meer info op https://imaginair-artspace.com/visit/
Openingsdagen en -uren: elke woensdag en donderdag van 12 tot 17 uur, elke zaterdag van 12 tot 18 uur, en elke vrijdag op afspraak.
De vernissage vindt plaats op zaterdag 25 april van 17 tot 21 uur.


Share This Post On

Submit a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op