De verrassende beeldtaal van Charline Tyberghein

Op het European Masters Salon Painting in oktober 2018 raakte ik geboeid door het werk van een jonge, Antwerpse kunstenares die uitpakte met strakke, snel leesbare schilderijen die toch vol gevoel en verhaal zaten. Nog veel belangrijker dan mijn appreciatie was het oordeel van de jury, zij riep Charline Tyberghein uit tot beste afstudeerstudente van 14 Europese kunstacademies en dus tot beste jonge, Europese schilder van 2018. Vandaag, twee jaar later, maak ik samen met Charline een stand van zaken op.


Charline Tyberghein, Pissed pot, 2020

De jury van het European Masters Salon Painting motiveerde haar beslissing om jou tot laureaat uit te roepen als volgt: “Tyberghein voert in haar schilderijen een persoonlijk en surrealistisch discours in een hedendaagse context. Ze maakt het voor elke toeschouwer mogelijk haar verhaal te lezen.” Kun je je daarin vinden?

“Ik kan me daar helemaal in vinden. Mijn inspiratiebronnen zijn heel divers: reclame, een raar huis, een verkeersbord, opart, maar dus ook surrealistische kunst. Magritte (her)ontdekken was voor mij heel belangrijk, door zijn werk te observeren heb ik geleerd hoe je een schilderij in balans brengt. Maar ook hoe je een symbool betekenis geeft, of net niet. Neem nu zijn schilderij Perspectief II. Het balkon van Manet (1950). In dat werk slaagt hij erin doodskisten in een niet-dramatische context weer te geven. De geschilderde situatie impliceert ook meteen een gezin, gezelligheid, er zit melancholie in, en humor. Allemaal in een behoorlijk eenvoudig schilderij. Die eenvoud probeer ik ook in mijn schilderijen te leggen. Instant leesbaarheid zonder écht leesbaar te zijn.

“Ik heb niet de intentie om heel letterlijk een verhaal te vertellen, ik denk dat de schoonheid van de kunst eerder in de suggestie zit. Sommige van mijn werken zijn weliswaar gebaseerd op heel concrete situaties uit mijn leven, maar dat hoeft niemand te weten, gewoon omdat dat er niet toe doet. Het zijn oefeningen in het visueel uitdrukken van een gevoel, en ik denk dat dat de mensen heel erg aanspreekt. Een sigaret, een wijnglas en een druppel zijn op zich niet noodzakelijk trieste of blije symbolen, maar gecombineerd roepen ze wel een gevoel van melancholie op. De symbolen die ik schilder zijn bovendien vaak gebaseerd op pictogrammen. Normaal dienen deze om op een rationele manier een boodschap over te brengen, ik probeer er emotie aan toe te voegen.”

Je winnende schilderij was Get home. Kun je even schetsen waar dit werk over gaat? Is het representatief voor je hele kunstpraktijk?

Get home is een schilderij over afscheid, over de laatste seconde voor iemand weggaat. De eerste titel was Get home safe, maar daarmee gaf ik de toeschouwer al te veel duiding, vond ik. Ik heb het gemaakt in mijn masterjaar op de academie, op een moment dat ik wat was vastgelopen in de verf. Ik had moeite om ademruimte en schaduw in een schilderij te krijgen, dus begon ik met spuitbussen te experimenteren. Het is zeker niet (meer) representatief voor mijn hele kunstpraktijk. Het was eerder het begin van een reeks gelaagde spuitbusschilderijen.

“Het is het eerste schilderij dat ik maakte dat relatief snel af was. Op de academie werd impliciet meegegeven dat er op een schilderij gezweet en gezwoegd moet worden. Daardoor voelde het lui en fout aan om een werk snel klaar te hebben, alsof het dan niet echt was. Ik heb er nog steeds moeite mee, maar door schilderijen als Get Home lukt het beter om uit dat rigide denkpatroon te stappen.”

Charline Tiberghein, As far as my feet can carry me, 2020

Wou je altijd al kunstenaar worden?

“Nee, helemaal niet. Het leek lange tijd geen ernstige optie en ik dacht niet dat ik het soort mens was dat kunstenaar kon zijn. Als kind was het mijn droom om advocaat te worden (lacht). Ik heb een moeilijk en rommelig parcours afgelegd in de middelbare school, uiteindelijk ben ik afgestudeerd via de middenjury. Eerlijk gezegd weet ik niet precies meer waarom ik voor schilderkunst heb gekozen, ik had eigenlijk nog nooit echt geschilderd. Pas op het eind van mijn derde bachelorjaar begon ik voorzichtig te beseffen dat het kunstenaarschap een heuse optie was.”

Maak je kunst voor jezelf? Zou je zonder de appreciatie van de kunstwereld en het publiek kunnen?

“Ik kan enkel voor mezelf spreken, maar een beeldend kunstenaar heeft publiek nodig, net als een podiumkunstenaar of een schrijver. Een deel van het plezier zit er zelfs in om te proberen naar mijn werk te kijken zoals een toeschouwer dat zou doen. Ik heb wel de indruk dat het not done is om te zeggen dat je werk voor een publiek maakt. Alsof dat hetzelfde is als ‘ik maak enkel werk voor het geld’. Alsof je dan enkel schildert om in de goede gratie van je publiek te blijven, terwijl het een wisselwerking is. Een acteur die voor een betalend publiek optreedt, krijgt nooit het verwijt dat hij of zij het enkel voor het geld doet.”

Je hebt een erg gelaagde stijl. Je werk is vlak, maar krijgt reliëf door de trompe-l’oeils. Het coloriet is per schilderij beperkt en weinig uitgesproken, wat je werken wat onheilspellend en surrealistisch maakt. Hoe ben je tot die stijl gekomen?

“In de eerste twee jaar van de academie had ik het vreselijk moeilijk, ik begreep niets van het schilderen. Om niet op te geven, moest ik een manier bedenken om mezelf tot rust te brengen. Ik begon toen grote tekeningen te maken met repetitieve patronen, waaronder bakstenen. Die ingeving kreeg ik toen ik een schilderij van Victor Vasarely zag waarin hij met een heel simpele techniek een heel schilderij liet bewegen. ‘Dat kan ik nog wel’, dacht ik, en begon te experimenteren met trompe-l’oeil. Omdat de toets in mijn schilderijen ontbreekt, moet ik de spanning en de diepte op een andere manier in mijn werk brengen. Ik denk (of hoop) dat de combinatie van de trompe-l’oeil met de symbolen het gebrek aan werken in de verf goedmaakt.

“Ik heb een vaste catalogus van symbolen die ik op tijd en stond probeer uit te breiden, maar nooit te snel. Ik leg mezelf een beperkt alfabet op om na te gaan hoeveel verschillende opstellingen ik daarmee kan maken. De betekenis van de symbolen was in het begin heel concreet, maar daarmee duwde ik mezelf in een te narratief hoekje. Waardoor er minder ruimte bleef voor verrassingen. Ik probeer ze nu meer als clusters te zien, de betekenis van een symbool verandert per opstelling, het gaat over de onderlinge relaties. In plaats van ze als woorden of letters te zien, zie ik de symbolen nu eerder als spelers.”

Charline Tyberghein, We’re done here, 2020

Je werk is afgemeten en strak. Dat lijkt te wijzen op een rationele aanpak. Weet je vooraf precies hoe een schilderij eruit gaat zien?

“Ik heb een tijd geprobeerd om spontaan te schilderen, maar intussen weet ik dat dat niets voor mij is. Ik heb veel structuur en regelmaat nodig in mijn leven en blijkbaar ook in mijn werk. Gelukkig is het voor het soort schilderijen dat ik maak ook nodig om gestructureerd te werk te gaan. Als je in verschillende lagen werkt en je de schaduw in elke laag op perfect dezelfde plek moet leggen, heb je vooraf wel een plan van aanpak nodig. Er zijn natuurlijk momenten dat ik overmoedig ben en te snel aan een schilderij begin, ervan overtuigd dat ik het tijdens het schilderen wel zal uitpluizen, maar dat draait meestal toch verkeerd uit.

“Ik begin altijd met een heel specifiek beeld van hoe een schilderij eruit moet zien, maar soms is het uiteindelijke resultaat toch nog anders. Het kleinste detail kan een gigantisch verschil maken. Het gebeurt ook regelmatig dat ik een werk drie keer opnieuw maak om telkens bij een gelijkaardig resultaat uit te komen. Mijn manier van werken laat ook niet toe om nog aanpassingen te doen, om hier en daar een toets bij te zetten of weg te schrapen. Het is meteen goed of opnieuw.

“Vaak begin ik halverwege een arbeidsintensief schilderij heel erg te twijfelen, alsof ik elke keer vergeet om het proces te vertrouwen en het eindresultaat af te wachten. Die manier van werken ligt wel zeker in het verlengde van mijn persoonlijkheid, ik ben niet erg spontaan en weet graag waar de dingen heengaan. Ik hou niet van het onbekende. Ik weet niet of je dat rationeel moet noemen, misschien is ‘gestructureerd’ een beter woord. Mijn dagen zien er dan ook vaak hetzelfde uit: opstaan, werken, lunch, werken, avondeten, werken, slapen. Die structuur heb ik nodig om de onzekerheid van de kunstwereld de baas te kunnen, denk ik.”

Charline Tyberghein, What’s your damage, 2019

Hoe zorg je ervoor dat je relevant werk blijft maken? Ben je nieuwe richtingen aan het onderzoeken? 

“Ik heb nu voor een rustigere aanpak gekozen. In plaats van twintig werken in twintig verschillende patronen te maken, probeer ik nu te focussen op reeksen. Ik dacht dat ik zo verscheiden moest werken om de toeschouwer geïnteresseerd te houden, maar ik heb de kijker onderschat. Nu poog ik meer in de diepte te gaan en meer samenhang te creëren.

“Mijn praktijk blijft een combinatie van dingen die ik al langer doe met nieuwe technieken en patronen. Ik heb de laatste twee jaar zo veel en zo snel gewerkt dat ik nu ook wil teruggrijpen naar zaken waar ik toen misschien te snel overheen ben gegaan. Ook het driedimensionale aspect, dat even uit mijn werk was verdwenen, hoop ik terug te halen.”


(alle foto’s: courtesy Gallery Sofie Van de Velde)

Author: David De Pooter

Share This Post On

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op

X