“Je herkent de graad van ontwikkeling van een maatschappij aan hoe ze met kunst omgaat.” Ierland lijkt die stelling ernstig te nemen en voorziet vanaf 2026 een basisinkomen voor 2.000 kunstenaars. Waarom wij niet? Los van budgettaire kwesties moeten we misschien iets anders willen.
Je kan de graad van ontwikkeling van een maatschappij herkennen aan hoe ze met kunst omgaat, zo luidt de stelling. In die zin zou Ierland wel eens als bakermat voor de beschaving kunnen doorgaan, gezien het vanaf 2026 een basisinkomen van ongeveer €1.500 per maand voorziet voor een selectie van 2.000 kunstenaars.
Voor we in Vlaanderen beginnen dromen van een gelijkaardige maatregel: het Ierse budget ziet er, in vergelijking met Vlaanderen en België, kerngezond uit. Met een schuldgraad van onder de 60% en een begrotingstekort van onder de 3% voldoet het ruimschoots aan de Europese normen.
De beslissing is dan ook niet zozeer gestoeld op ideologische principes. Ook de kunst ontsnapt — jammer genoeg — niet aan marktlogica. De maatregel steunt op onderzoek dat aantoont dat elke euro die in de ondersteuning van kunstenaars wordt geïnvesteerd leidt tot €1,39 ‘maatschappelijke return’. Die return wordt berekend op basis van belastingopbrengsten en besparingen op sociale uitkeringen, al wijst de overheid ook op de grote baten in psychologisch welzijn.
Los van de koude cijfers vallen in de rapporten die tot deze beslissing hebben geleid ook meer menselijke factoren te bespeuren. Het uiteindelijke doel van de hele oefening is om kunstenaars — of, juister: mensen in de creatieve sector — meer mogelijkheden te bieden om te focussen op hun artistieke werk. Dat betekent: meer tijd kunnen besteden aan de praktijk, ook zonder onmiddellijke output, bijvoorbeeld aan bijscholing of onderzoek.
Meer nog: uit een publieke consultatie die de regering liet voeren, blijkt dat 97% van de bevolking voorstander is van het verderzetten van deze maatregel, die in een post-coronacontext vorm kreeg. Al is er grote onenigheid zodra de vraag volgt aan wie precies deze budgetten moeten worden toegewezen.
Daar wringt duidelijk het schoentje. In een poging om een neutrale toewijzing te garanderen deed de regering tot dusver beroep op een lotingssysteem om uit de meer dan 8.000 kandidaten die aan objectieve criteria voldoen de uiteindelijke rechthebbenden te selecteren. Het kunstenaarschap reduceren tot een kansspel: het lijkt niet meteen een oplossing voor het probleem. Het alternatief — de selectie laten gebeuren door een commissie — is dat overigens evenmin; zo wordt de hele oefening te vaak een keurmerk voor kunstenaars, met machtsspelletjes die ermee gepaard gaan.
Het mag vreemd klinken, maar de meeste — beeldende — kunstenaars die ik spreek, zijn niet noodzakelijk vragende partij voor zo’n maatregel, al zouden ze het uiteraard niet afslaan. Vaak redden ze het door te combineren met een of andere baan. Moeilijk, maar niet onmogelijk.
Voor hun kunstpraktijk kunnen ze bovendien gebruikmaken van de talrijke mogelijkheden in Vlaanderen om werk te tonen: via cultuurcentra, kunsthuizen, projectruimtes en privé-initiatieven. Maar daar wringt het schoentje. Kunstenaars moeten vaak opdraaien voor de soms hoge kosten om te exposeren, zelfs in gesubsidieerde kunstencentra: materiële kosten zoals transport of logistiek, maar evengoed tijd en energie. Ze krijgen dan te horen dat ze gecompenseerd worden in ‘exposure’ en naamsbekendheid, maar dat weegt vaak niet op tegen de soms exorbitante investering die — haast achteloos — verwacht wordt van een kunstenaar.
Voor alle duidelijkheid: ik spreek niet in naam van de honderden beeldende kunstenaars die in ondankbare omstandigheden vanuit passie en gedrevenheid hun kunst beoefenen. Ik spreek enkel in naam van de duizenden kunstliefhebbers die van hun werk genieten, en vanuit wat de talloze gesprekken met die kunstenaars me heeft bijgebracht.
Het lijkt me vanuit dit standpunt alleszins een haalbare -en wenselijke- keuze om meer middelen te voorzien voor de omstandigheden waarin kunstenaars hun werk aan het publiek presenteren, door bijvoorbeeld een budget of steun te voorzien voor kunstenaars die exposeren in een cultureel centrum. Dat komt niet enkel de kunstenaar ten goede, maar uiteindelijk ook hun maatschappelijke rol — al hoeft dat laatste zeker niet hun enige of voornaamste drijfveer te zijn.
Als we de graad van onze beschaving willen meten aan hoe we met kunstenaars — en met kunst — omgaan, dan hoort daar een concrete graadmeter bij. Door de momenten te ondersteunen waarop kunstenaars een (potentieel) publiek bereiken, zonder dat de kosten op de maker worden afgewenteld, wordt alvast voorkomen dat enkel de vermogende kunstenaars een publiek bereiken. Kunst mag dan ook in stilte ontstaan en zelfs zonder publiek bestaan, maar haar brede maatschappelijke betekenis krijgt pas echt vorm wanneer ze kan worden gedeeld — en wanneer we dat delen niet laten afhangen van wie het zich kan permitteren.

- Basisinkomen voor kunstenaars in Ierland. Een voorbeeld voor Vlaanderen? - januari 3, 2026
- ‘Beata Angelico’: Fra Angelico’s magische oeuvre opnieuw verenigd in Firenze - januari 2, 2026
- Een beeld van de stilte, Helene Schjerfbeck in het MET, New York - december 27, 2025






januari 4, 2026
Vooralsnog geen basisinkomen voor kunstenaars in België, wel het KWA (Kunstwerkattest) dat kunstenaars ‘bijpast’ tijdens werkloze periodes. Zie https://www.workinginthearts.be/nl