In FeliX Art & Eco Museum te Drogenbos vindt nog tot 5 april de tentoonstelling 45-65. Jan Walravens, kunstcriticus plaats. Daarmee pakt het museum andermaal uit met een expo van kunsthistorisch belang. Los daarvan is het opmerkelijk dat een museum een tentoonstelling wijdt aan een kunstcriticus die al zestig jaar geleden overleed. Jan Walravens (1920-1965) was dan ook niet de eerste de beste. Schrijver Paul de Wispelaere omschreef zijn verdiensten ooit als volgt: ‘Met grote overtuiging, hardnekkigheid en polemische scherpte heeft Walravens geijverd om de Vlaamse kunst en cultuur van na de tweede wereldoorlog in een contemporain Europees perspectief te plaatsen.’ Die uitspraak vat Walravens’ leven in een notendop samen. Wij voegen er de context aan toe.

(Jan Walravens in 1964 of 1965)
De verdeelde mens
Jan Walravens’ naam klinkt in de oren van oudere literatuur- en kunstliefhebbers nog altijd als een klok. Zijn belang is nauwelijks te overschatten. In zijn relatief korte leven was Walravens niet alleen een invloedrijk kunstcriticus, maar ook journalist, reporter, essayist, romanschrijver, novellist, toneelschrijver, scenarist, literair criticus, tijdschriftredacteur, artistiek adviseur, curator, spreker, inleider, kunstpromotor en radio- en televisiepersoonlijkheid. Het is treffend dat hij zestig jaar na zijn dood voor velen nog altijd actueel blijft. Daarvan getuigen naast de expo enkele studies in boekvorm die de afgelopen vijftien jaar het licht zagen. In 2025 verscheen bij Academia Press Jan Walravens en de beeldende kunsten, samengesteld door Hans Vandevoorde en Katrien Vanhamel – niet toevallig twee academici die het merendeel van de teksten in de catalogus van de expo voor hun rekening namen. In 2011 publiceerde dezelfde uitgeverij Jan Walravens en het experiment, onder redactie van Lars Bernaerts, Hans Vandevoorde en Bart Vervaeck. In 2018, ten slotte, bracht de Nederlandse academicus Jos Joosten Walravens’ biografie op de markt onder de titel De verdeelde mens. Jan Walravens (1920-1965), schrijver, ijkpunt, avant-gardist. Eerder al, in 1996, publiceerde Joosten een omvangrijke studie over het baanbrekende literaire tijdschrift Tijd en Mens (1949-1955), het orgaan van de Vlaamse Experimentelen.
Walravens was samen met dichter Remy C. van de Kerckhove medeoprichter van Tijd en Mens. In de redactie zetelden naast hen onder meer Louis Paul Boon, Hugo Claus, Maurice D’Haese, Marcel Wauters, Ben Cami en Tone Brulin. Ze werden de Vlaamse Experimentelen genoemd, omdat ze na de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog kordaat komaf maakten met de traditionele literatuur van hun voorgangers. Ze zochten en vonden al experimenterend nieuwe vormen van proza en poëzie om uitdrukking te geven aan hun door de oorlog zwaar aangetaste mens- en wereldbeeld. Walravens was er de onvermoeibare pleitbezorger van. In 1951 publiceerde hij in Tijd en Mens een belangrijk essay over avant-gardeliteratuur, getiteld Phenomenologie van de moderne poëzie, dat kort daarna ook in boekvorm verscheen. In hetzelfde jaar verscheen ook de eerste van zijn twee romans: Roerloos aan zee. Volgens Walravens’ biograaf staat in dat boek ‘de kwestie van het godsbestaan en hoe de eigentijdse mens zijn positie daarin moet bepalen’ centraal.
Jeune Peinture Belge
Walravens’ belangstelling voor de beeldende kunsten kwam niet uit de lucht gevallen. Zijn vader, Corneille, was beroepshalve eerst drukker, daarna samen met zijn echtgenote uitbater van een krantenwinkel. In zijn vrije tijd was Corneille een verdienstelijk schilder die twaalf jaar les volgde aan de Brusselse Academie en een grote bewondering had voor het impressionisme. Hij nam zijn zoon al vroeg mee naar tentoonstellingen en duwde hem op zijn dertiende een boek over Constant Permeke in de handen. Vanaf 1936 begon Jan verhalen en opstellen te schrijven, ook over kunst. Tot zijn schoolvrienden behoorden beeldhouwer Florent Welles en dichter Albert Bontridder, die later eveneens deel zouden uitmaken van de redactie van Tijd en Mens. Met zijn drieën maakten ze in 1938 met de hand een nooit gepubliceerde bundel gedichten en tekeningen, getiteld Die slanke byzonderheid – te zien in de expo.
In die jaren schoolde Walravens, die zijn humaniora niet afmaakte, zich op autodidactische wijze bij door monografische en kunsttheoretische publicaties te lezen, alsook artikelen over de beeldende kunsten en literatuur in de kranten en tijdschriften die hij aantrof in de krantenwinkel van zijn ouders. Zo gebeurde het dat hij al in 1940, nauwelijks twintig jaar jong, voor het Davidsfonds lezingen gaf over Rubens en Rembrandt. Daarnaast bezocht hij tentoonstellingen in galerieën en musea in Brussel en daarbuiten. Een eyeopener was de expo Apport ’41 in de toonaangevende Brusselse galerie Apollo, waar hij voor het eerst werk zag van de schilders die in de periode 1945-1948 de Jeune Peinture Belge (Jonge Belgische Schilderkunst) zouden vormen. De leden ervan lieten zich inspireren door het werk van onder meer Georges Braque en Pablo Picasso, en door dat van jonge Franse schilders als Jean Bazaine en Georges Mathieu – kunstenaars die met heldere kleuren en toenemende abstractie uitdrukking gaven aan de onrustige en onzekere tijdsgeest. Ook Walravens voelde die zo aan. In de oorlog had hij tijdens zijn gedwongen tewerkstelling in Berlijn in 1943 L’être et le Néant van Jean-Paul Sartre gelezen, van wiens existentialistische filosofie hij de wegbereider was in ons land. Naar aanleiding van een lezing van Sartre in Brussel schreef hij zelfs een ongepubliceerd boek over het existentialisme. Elementen uit die filosofische stroming, zoals wanhoop en eenzaamheid, tekenend voor het naoorlogse tijdsklimaat, herkende hij al snel in beeldende kunst van zijn jonge generatiegenoten.



Hugo Claus, L’anatome, 1950. Privécollectie
Maurice Wyckaert, Vues en profondeur, 1957. Collectie S.M.A.K. – Vlaamse Gemeenschap
Jan Cox, De lamp, 1947. Collectie Provincie Antwerpen, inv. PS160
Cobra en Cox
Tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de Jeune Peinture Belge behoorden Pierre Alechinsky, Gaston Bertrand, Anne Bonnet, Jan Cox, Jules Lismonde, Marc Mendelson en Louis Van Lint. Van een collectieve stijl was geen sprake. Toch viel na verloop van tijd bij sommigen een kentering waar te nemen richting abstractie – een teruggrijpen naar het modernisme van de jaren tien en twintig. Onder hen Jo Delahaut, die in 1946 lid werd van Réalités Nouvelles, een vereniging van kunstenaars en een kunsttentoonstelling in Parijs, gericht op geometrisch-abstracte kunst. In 1947 was Delahaut de eerste die een abstract doek toonde tijdens een overzichtstentoonstelling van de Jeune Peinture Belge in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Anderen, zoals Jean Milo en Mig Quinet, begonnen gaandeweg een vrijere toets toe te passen die dichter bij de lyrische abstractie aanleunde.
Walravens’ voorkeur ging uit naar de lyrische abstractie, zeker als ze nog enige figuratie inhield. Vooral het werk van Jan Cox sprak hem aan – een kunstenaar die in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten de figuratie nooit zou loslaten. Cox evolueerde op dat ogenblik weg van de in zijn ogen al te Frans georiënteerde Jeune Peinture Belge en kwam terecht bij het tijdschrift Cobra (1948-1951), het orgaan van de gelijknamige internationale beweging van jonge, vooruitstrevende kunstenaars die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een (korte) revolutie veroorzaakten in de beeldende kunst. Zij tekenden en schilderden kleurrijke doeken die eruitzagen alsof ze door een kind waren gekonterfeit. Walravens onderhield toentertijd nog geen contacten met de voortrekkers van de beweging – Christian Dotremont en Asger Jorn –, die kwamen er pas nadat hun tijdschrift al was opgedoekt.
Hugo Claus
Walravens was al sinds het begin van de jaren veertig kind aan huis in de ateliers van kunstenaars zoals Lode Matthijs, Jan Delandtsheer en Felix De Boeck. Met die laatste zou hij levenslang bevriend blijven. Hij publiceerde twee monografieën over hem: de eerste in 1952, de tweede postuum in 1965. In 1944, na de bevrijding van België, werd Walravens dankzij componist en muziekrecensent Willem Pelemans aangesteld als journalist bij de liberale krant Het Laatste Nieuws. De eerste jaren werkte hij vooral voor het met de krant gelieerde, geïllustreerde weekblad De Zweep, waarin hij hoofdzakelijk over beeldende kunst en literatuur schreef. Nog later, in 1960, zou hij worden aangesteld als redactiesecretaris van het literaire tijdschrift van liberale strekking De Vlaamse Gids (1905-2000) – een functie die hij bleef uitoefenen tot zijn overlijden –, waarvan hij al sinds 1954 redacteur was.
In 1948 zocht de toen negentienjarige Hugo Claus schriftelijk contact met Walravens. Hij wilde graag dat die zijn in 1947 verschenen dichtbundel Kleine reeks – Claus’ debuut – zou recenseren. Tegelijk deelde hij Walravens zijn plannen mee tot de oprichting van een literair-artistiek jongerentijdschrift: Janus. Walravens was meteen enthousiast en startte een correspondentie met Claus. Mettertijd raakten de twee bevriend, al kwam er van Janus uiteindelijk niets terecht – een euvel dat een jaar later zou worden opgelost door de komst van Tijd en Mens. Daarin kwamen onder meer door Walravens bewonderde schilders als Jan Vaerten en Rudolf Meerbergen aan bod, die voor (omslag)illustraties zorgden. Over Vaerten publiceerde Walravens in 1950 een monografie, nadat hij in 1949 al eerder een monografie – zijn eerste – had gepubliceerd over Valerius De Saedeleer. Ook over Meerbergens werk schreef hij een monografie, die verscheen in 1965, kort voor zijn overlijden.
Voor de eerste twee jaargangen van Tijd en Mens werden daarnaast ook kunstenaars aangetrokken zoals Ray Gilles en Pierre Alechinsky. Die laatste was lid van Cobra en zou in de loop der jaren meermaals zijn krachten bundelen met Claus voor gezamenlijke uitgaven. Zelf publiceerde Walravens alleen in het eerste nummer van Tijd en Mens een essay over beeldende kunst, opgedragen aan Jan Vaerten – een kunstenaar die de in hem gestelde verwachtingen nooit heeft kunnen waarmaken.



Rudolf Meerbergen, Erosieteken, 1954. Privécollectie
Jan Vaerten, De koe, 1948-1949. Privécollectie
Jan Saverys, Compositie, 1953. Callewaert Vanlangendonck Gallery, Antwerpen
Taptoe
In 1953 richtte Walravens in Brussel samen met theaterrecensent Staf Knop en criticus/vertaler Bert Parloor theatergezelschap Het Kamertoneel op, dat al na twee seizoenen ophield te bestaan. Uit de gespeelde stukken blijkt hoe goed Walravens op de hoogte was van vooruitstrevende Europese tendensen in diverse kunstdisciplines. Het Kamertoneel speelde vooral absurdistische theaterteksten van Arthur Adamov, Samuel Beckett, Jacques Audiberti, Jean Genet, Eugène Ionesco, Ugo Betti en Jean-Paul Sartre. Maar ook stukken van de Vlamingen Hugo Claus, Tone Brulin en Gaston Burssens kwamen aan bod. Voor de decors, affiches en omslagen van brochures deed Walravens een beroep op zijn vrienden uit het kunstmilieu.
In 1955 stelde Walravens Waar is de eerste morgen? samen, een bloemlezing uit de experimentele poëzie in Vlaanderen, met werk van dertien dichters. Naast bijdragen van alle dichters van Tijd en Mens nam Walravens er ook gedichten in op van aanstormend talent zoals Paul Snoek, Adriaan De Roover, Gust Gils en Willy Roggeman. Als historisch ijkpunt voegde hij er poëzie aan toe van Guido Gezelle, Paul van Ostaijen en Gaston Burssens. In december van hetzelfde jaar werd, mede op advies van Walravens, Taptoe opgericht, een vernieuwend multidisciplinair kunstencentrum in hartje Brussel dat jonge en internationale kunstenaars samenbracht, avant-gardewerk toonde en een vruchtbare ontmoetingsplek bood buiten de gevestigde kunstinstellingen. Daarmee vulde Taptoe de leemte die was ontstaan na de sluiting van galerie Apollo eerder dat jaar. Tegelijk bood het centrum in zijn tentoonstellingsbeleid een alternatief voor de dominantie van de Jeune Peinture Belge en de geometrische abstractie. Taptoe stelde bijna uitsluitend aan Cobra verbonden kunstenaars tentoon zoals Alechinsky, Corneille, Asger Jorn, Shinkichi Tajiri en Hugo Claus, met daarnaast Post Cobra-kunstenaars als Maurice Wyckaert, Serge Vandercam, Jan Burssens, Roel D’Haese en Roger Raveel. Taptoe bood bovendien ook ruimte voor poëzielezingen, jazzconcerten en lezingen over antropologie en architectuur. Ondanks die drukke activiteiten legde het kunstencentrum er al in 1957 het bijltje bij neer.
Celbeton, Expo 58, G58
Voor Walravens was het einde van Taptoe geen reden om bij de pakken te blijven zitten. In 1957 richtten publicist Adolf Merckx en dichter Werner Verstraeten in Dendermonde de kunstkring Celbeton op, een ontmoetingsplaats voor jonge schrijvers, kunstenaars en muzikanten met literaire voordrachten, tentoonstellingen en jazzmuziek op de agenda. Onder meer Louis Paul Boon, Hugo Claus en Raoul De Keyser stelden er tentoon. Walravens, die bevriend was met Merckx, had een adviserende rol in de werking van Celbeton bij de keuze van sprekers en kunstenaars. Zelf gaf hij er lezingen.
1958 was in meerdere opzichten een belangrijk jaar voor Walravens. Vooral de wereldtentoonstelling Expo 58 op de Brusselse Heizel speelde daarin een grote rol. Walravens berichtte er uitgebreid over, niet alleen in Het Laatste Nieuws, maar ook in het Nederlandse opinieweekblad De Groene Amsterdammer, dat hem had verzocht er een reeks artikelen aan te wijden. Daarnaast engageerde hij zich eveneens voor artistiek platform G58 (1958-1962) in Antwerpen, waarvan hij in 1961 officieel adviseur werd. G58 bestond uit een groep Antwerpse beeldende kunstenaars die, in de aanloop naar Expo 58, ontevreden waren over de beperkte aandacht voor hedendaagse kunst in België en daarom initiatieven ontwikkelden om abstracte kunst, experiment en interdisciplinair werk te promoten. Tot de leden behoorden onder meer Walter Leblanc, Jef Verheyen, Jan Dries, Camiel Van Breedam, Bert De Leeuw en Cel Overberghe. Met hun werk sloten ze aan bij de tweede golf abstracte kunstenaars in België en dus bij die leden van de Jeune Peinture Belge die het pad van de abstractie ingeslagen waren. Naast eigen werk organiseerden de G58-kunstenaars ook belangrijke tentoonstellingen met werk van buitenlandse kunstenaars. Zo bijvoorbeeld de groepsexpo Vision in Motion – Motion in Vision (1959), waaraan avant-gardekunstenaars zoals Daniel Spoerri, Günther Uecker, Otto Piene en Jean Tinguely deelnamen, maar ook enkele landgenoten zoals Pol Bury en Paul Van Hoeydonck.

Guy Vandenbranden, Compositie, 1958. Callewaert Vanlangendonck Gallery, Antwerpen
Alomtegenwoordig
Nog in 1958 publiceerde Walravens zijn tweede en laatste roman Negatief, die een van de interessantste verwerkingen van het existentialisme à la Sartre in Vlaanderen werd genoemd. De auteur ontving er de vierjaarlijkse Leo J. Krijnprijs voor, die eerder al was uitgereikt aan Louis Paul Boon en Hugo Claus. Walravens was inmiddels een alomtegenwoordige figuur in de Belgische kunst- en literatuurwereld geworden. In Nederland alleen al was hij correspondent voor De Groene Amsterdammer, vaste medewerker van het Utrechts Nieuwsblad en het Algemeen Handelsblad, en redacteur van het tijdschrift Kroniek van Kunst en Kultuur. Voor al die periodieken schreef hij samen honderden bijdragen. In Brussel en Vlaanderen was hij redacteur van het tijdschrift Het Toneel, bestuurslid van de Brusselse afdeling van het Willemsfonds, leraar aan het Persinstituut, lid van verscheidene commissies en jury’s, vicepresident van de Belgische afdeling van de Internationale Vereniging van Kunstcritici, zetelde hij in het inrichtend comité van de Internationale Poëziebiënnale te Knokke en was hij bestuurslid van het PEN-centrum. Ook steunde hij volop de oprichting van een museum voor hedendaagse kunst te Gent, het huidige S.M.A.K.. Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig droeg Walravens ook steeds vaker bij aan catalogi van Brusselse galeries als Aujourd’hui, Apollo, L’Atelier, Les Contemporains, La Proue en Le Zodiaque.
Vanaf 1956 begon Walravens mee te werken aan uitzendingen van de Belgische televisie. Voor de radio was hij daar al in 1945 mee begonnen. Op 3 oktober 1956 trad hij als gast op in het culturele programma Parklaan 20, dat kijkers op informele wijze wilde laten kennismaken met de grote figuren uit de Vlaamse culturele wereld. Op 12 december van hetzelfde jaar leverde hij een eerste eigen bijdrage voor Met kaars en bril, een culturele rubriek voor jongeren, en tussen 1957 en 1960 werkte hij voornamelijk mee aan Vergeet niet te lezen, waarin hij auteurs interviewde over hun pas verschenen werk. Andere televisiebijdragen van hem kwamen aan bod in programma’s als De Kunstkaleidoscoop (1958-1961) en De Zeven Kunsten (1961-1965).
Jan Biorix
In 1961 publiceerde Walravens de monografie Hedendaagse schilderkunst in België, waarin hij de balans opmaakte van zowel de figuratieve als de niet-figuratieve kunst in ons land. Tegelijk verscheen ook een Franstalige uitgave onder de titel Peinture contemporaine en Belgique. Op de omslag van de Nederlandstalige uitgave prijkt het schilderij Mama, ik ga je opeten (1957) van Jan Cox, op die van de Franstalige Nuages en pantalon (1957) van Alechinsky. Op 24 november van hetzelfde jaar interviewde Walravens René Magritte, een gesprek dat door de toenmalige BRT in het programma Actueel werd uitgezonden. Pas vorig jaar vond VRT-archivaris Thomas Eyskens het verloren gewaande interview terug. Het is te bekijken en te beluisteren in de expo te Drogenbos.
In de daaropvolgende jaren volgden nog meer synthesewerken over figuratieve en abstracte kunst. Het bekendste daarvan is De abstracte schilderkunst in Vlaanderen (1963) van Michel Seuphor, dat in vier talen verscheen en waarvoor Walravens 41 lemma’s schreef. De overige werden geschreven door de kunstcritici Léon Louis Sosset en Maurits Bilcke. Seuphors rol beperkte zich tot die van samensteller. Nog in 1963 verscheen Walravens’ overzichtswerk Van Constant Permeke tot Heden, waarvan eveneens een Franstalige versie verscheen: De Permeke à nos jours. Zowel in Hedendaagse schilderkunst in België als in Van Constant Permeke tot Heden plaatste Walravens de nieuwste richtingen in een historisch perspectief door ook de avant-garde van de jaren twintig een plaats te geven.
In 1965 publiceerde Walravens bij uitgeverij De Galge in Brugge Jan Biorix, met een nawoord van Adolf Merckx. Het boekje is samengesteld uit enkele onuitgegeven dagboeknotities en uit teksten die respectievelijk verschenen in De Vlaamse Gids en De Periscoop uit de periode 1944-1965. Het was Louis Paul Boon die Walravens met de geuzennaam Jan Biorix bedacht – een knipoog naar de dappere Belg Ambiorix. Zoals deze laatste in voorchristelijke tijden in opstand kwam tegen de Romeinse bezetting, zo verzette Walravens, klein van stuk, zich tegen gezapigheid en luiheid van denken.

Felix De Boeck, Hanengevecht, 1934. FeliX Art & Eco Museum – Collectie Vlaamse Gemeenschap
Humanisme
Hans Vandevoorde en Katrien Vanhamel betogen in hun bijdrage in de tentoonstellingscatalogus dat Jan Walravens in zijn opvattingen een erfgenaam was van kunsthistorici als August Vermeylen, naar wie hij in zijn werk af en toe verwees, en van Élie Faure, de Franse kunsthistoricus wiens werk hij vlak voor de oorlog leerde kennen: ‘Zij stellen de mens en zijn ontroering centraal. Maar typisch voor Walravens is dat hij meer dan zijn grote leermeesters de nadruk legt op de hedendaagse tijd die het werk moet weergeven. Het gaat hem dan vooral om de angsten en wanhoop van de naoorlogse periode.’ Walravens had een uitgesproken humanistische visie op kunst. Hij kende de nieuwe Europese literatuur, schilder- en filmkunst en was er een vurig verdediger van, in de hoop dat de verfrissing in de kunsten zich ook zou openbaren in politiek en maatschappij. Sartre schreef niet voor niets: ‘L’existentialisme est un humanisme’ – een filosofie die vanzelf leidt tot een humanisme waarin de mens altijd geëngageerd is en dus nooit op zichzelf kan bestaan, tenzij op niet authentieke wijze.
Intellectuele erfenis
In zijn introductie tot de catalogus schrijft Sergio Servellón, directeur van FeliX Art & Eco Museum, dat de tentoonstelling rond Walravens hopelijk de eerste vormt ‘in een reeks waarin we de boeiende periode van het modernisme en de abstracte kunst bestuderen door het prisma van de promotoren en de drijvende krachten die haar hebben vormgegeven’. Wij moesten daarbij onmiddellijk denken aan Karel Geirlandt (1919-1989), de wegbereider en bezieler van het Gentse Museum van Hedendaagse kunst, een instituut dat later onder impuls van Mark De Cock en ook kunstpaus Jan Hoet S.M.A.K. zou gaan heten.
Servellón voegt er nog aan toe dat de tentoonstelling, via de combinatie van een monografische en kunsthistorische invalshoek, op een originele manier een rijk en cruciaal hoofdstuk in de geschiedenis van de avant-garde schilderkunst in België belicht. Wie daar oprecht in geïnteresseerd is, zal aan de tentoonstelling bijzonder veel plezier beleven. Er is werk te zien van een veertigtal kunstenaars, van Pierre Alechinsky tot Maurice Wyckaert, met daartussen namen als Felix De Boeck, Gaston Bertrand, Julien Coulommier, René Magritte, Luc Peire, Anne Bonnet, Englebert Van Anderlecht, Louis Van Lint, Françoise Lambilliotte en Rik Slabbinck. Daarnaast valt er ook werk te bewonderen van enkele buitenlandse kunstenaars: Karel Appel, Jean Dubuffet en Asger Jorn.
Alle vertegenwoordigde kunstenaars hebben met elkaar gemeen dat Walravens ooit over hen schreef of sprak. Het documentaire luik van de expo is trouwens ook niet te versmaden: tal van documenten, foto’s, affiches, brochures, video’s en publicaties – waaronder alle nummers van Tijd en Mens – bedelen om aandacht. 45-65. Jan Walravens, kunstcriticus is verplichte kost voor wie belangstelling heeft voor de Belgische beeldende kunst van de eerste twee decennia na de Tweede Wereldoorlog. Het is te betreuren dat Walravens al op 45-jarige leeftijd overleed aan lymfeklierkanker. Wie weet wat hij ons nog allemaal had kunnen schenken als hij enkele decennia langer had geleefd. Maar dat zijn overwegingen achteraf. Het belangrijkste is dat hij ons zo’n grote intellectuele erfenis heeft nagelaten dat we er een leven lang mee voort kunnen.

Jo Delahaut, Cristal, 1956. Collectie Koning Boudewijnstichting, Fonds Thomas Neirynck
De expo 45-65. Jan Walravens, kunstcriticus loopt nog tot 5 april in FeliX Art & Eco Museum te Drogenbos. Klik hier voor alle info.
Hans Vandevoorde, Katrien Vanhamel en Stefan Clappaert: 45-65. Jan Walravens, kunstcriticus. FeliX Art & Eco Museum, Drogenbos, 2025, softcover, 24 bij 24,4 cm, 224 bladzijden. Het boek kost 45 euro en is verkrijgbaar in de museumshop.










- Bram Bogart: rock-‘n-roll met verf - maart 4, 2026
- Frank Raes: voormalig sportjournalist ontpopt zich tot fotograaf - februari 20, 2026
- Een existentieel avontuur: 45-65. Jan Walravens, kunstcriticus - januari 23, 2026



