Kunstenaars en hun galerie: het kan een lastige relatie zijn, maar even vaak blijkt ze bijzonder vruchtbaar. Zonder Daniel-Henry Kahnweiler geen Picasso, zonder René Block geen Beuys. Andy Warhol blijft voor de eeuwigheid verbonden met de naam van Leo Castelli, Gerhard Richter met Konrad Fischer. Ook op iets bescheidener schaal ontstaan soms samenwerkingen die kunstenaar en galerie in hetzelfde ritme laten groeien, in een stille maar wezenlijke symbiose.
Ergens in 1986 liep een jonge Johan Creten rond als suppoost en bemiddelaar van een onzichtbaar, conceptueel werk van Robin Winters, op de intussen legendarische tentoonstelling Chambres d’Amis van Jan Hoet. Zijn aanwezigheid — en vooral zijn gedreven gesprekken over de rol en de noodzaak van kunst — maakten indruk op twee leraren, Bert de Leenheer en Dirk Vanhecke. Zij waren op dat moment plannen aan het smeden om een galerie op te starten.
Het duurde nog een paar toevallige ontmoetingen voor er echt sprake was van samenwerking, maar uiteindelijk kristalliseerde alles uit in een eerste tentoonstelling: de solopresentatie L’Œil de l’Antiquaire (1990) in Leuven. Het bleek het begin van een traject dat intussen veertig jaar omspant: bijna een heel oeuvre voor de kunstenaar, en een hele loopbaan voor de galerie.
© Bart De Leenheer
Bert en Dirk raakten al snel geboeid door de verschillende benaderingen die het werk van Johan toeliet: “De werken van Johan verkende de diepten van de ziel, theologische vraagstukken en zelfkennis, terwijl zij tegelijk de symbolische kracht van het object onderzocht: het vermogen om de tijd te overstijgen, weerstand te bieden aan vergetelheid en ons terug te voeren naar fundamentele existentiële vragen.” Meerdere werken uit die periode groeiden uit tot sleutelstukken, zoals de spiegelsculptuur JC & JC (1989) en Le poids des choses (1989), waarin keramiek op een radicale, conceptuele manier wordt getransformeerd.
Via de galerie vond Johans oeuvre al vroeg zijn weg naar publieke én private collecties. Het Museum voor Moderne Kunst in Oostende (nu Mu.ZEE) kocht in de beginfase al twee werken, waaronder het controversiële Het paard van Troje (1992), waarin Johan keramiek verwerkte — een materiaal dat toen nog als “onaantastbaar en taboe” werd gezien. “Binnen deze context treden bij Johan fundamentele vragen rond alteriteit, gender en seksualiteit naar voren,” vertellen de galeriehouders. “Hoewel deze werken aanvankelijk soms controversieel of verkeerd begrepen werden, behoren zij vandaag tot de meest emblematische reeksen uit zijn oeuvre.”
Wanneer een kunstenaar en een galerie zo nauw samenwerken, ontstaat er ook een soort intuïtie: men voelt waar het werk naartoe wil, en durft dat mee ondersteunen, zelfs wanneer de markt er nog niet klaar voor is. Zo was er Drawing a Blank, een tentoonstelling rond tekeningen uit 1986–1987, gemaakt tijdens Johans verblijf in de Cité des Arts in Parijs. Tekeningen zijn een onderschatte discipline in zijn oeuvre, maar precies dankzij de aandacht van de galerie kon die reeks later doorwerken: sleutelmomenten, verspreid over meer dan twintig jaar, leidden uiteindelijk tot de presentatie ervan in het Musée des Beaux-Arts in Orléans.
En met vertrouwen komt ook ruimte voor uitzonderlijke ingrepen. In Gulden Snede (2014) ontregelde Creten opnieuw de gebruikelijke referentiepunten: hij bedekte de volledige vloer van de galerie met een dikke witte bekleding, waardoor de waarneming van bezoekers kantelde en de ruimte tijdelijk een experimentele omgeving werd.
© Galerie Transit
Intussen veroverde Creten ook een plek in de publieke ruimte. In zijn geboortestad Sint-Truiden kreeg Christina Mirabilis (2012) een plaats in het Begijnhof. Antwerpen bezit de monumentale versie van Pliny’s Sorrow, aan de Rijnkaai nabij het Red Star Line Museum. In Mechelen staat Le grand Vivisecteur in de schaduw van de Sint-Romboutskathedraal. Her en der werd hij ook in het buitenland opgemerkt en opgepikt, “maar in België waren het vooral particuliere verzamelaars die zijn loopbaan met uitzonderlijke betrokkenheid ondersteunden”, vertellen Bert en Dirk.
Die jarenlange samenwerking — met acht solotentoonstellingen — krijgt nu een bijzondere epiloog in een laatste expo (ook de laatste voor de galerie onder die naam), met een opvallend hoopvolle, toekomstgerichte titel: élan vital – Levensdrang. “Centraal in deze expositie staat de relatie tot schaal: de overgang van studies en ‘library versions’ naar monumentale sculpturen; de verbinding tussen het leven met kunstwerken in privécollecties en hun bestaan in natuur en publieke ruimte.” Je vindt er een tiental belangrijke, intieme versies terug van The Herring, De Dode Vlieg en andere sleutelwerken, maar centraal staat een nieuwe bronzen versie van De Gier: een werk met een sacraal, metafysisch en tegelijk politiek aura, dat functioneert als monument én als tombeau. Daarnaast worden nieuwe versies gepresenteerd uit de reeksen Odore di Femmina en Glorie, waarin het sacrale zich vermengt met het erotische en het lichamelijke.
“De titel Élan Vital / Levensdrang fungeert als een pamflet,” menen de galeristen. Na veertig jaar zoeken ze een nieuwe levensdrift in de transformatie van de galerie naar Transit Art Office, “een bureau voor kunstenaars en kunstprojecten”. Het behoudt zijn eigenzinnige smoel — en vooral de kennis en ervaring die door de jaren heen is opgebouwd — én, zo mag je hopen, de betrokkenheid die zulke langlopende relaties met kunstenaars mogelijk maakt.
©Galerie Transit
Élan Vital – Levensdrang met werk van Johan Creten loopt nog tot 31 mei bij Galerie Transit in Mechelen.



Johan Creten L’hippocampe | Lune- Gold over Green | Het Schaap
© Creten Studio & Nicolas Brasseur





