Dat het Gentse Museum voor Schone Kunsten (MSK) vroeg of laat een tentoonstelling zou wijden aan etser, tekenaar en aquarellist Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945) – als een van de belangrijkste Belgische grafici van de twintigste eeuw –, lag in de lijn der verwachtingen. Het museum bezit al lange tijd een referentieverzameling met werk van de kunstenaar, dankzij de vroege interesse bij enkele bestuurs- en directieleden. Zij kochten al tijdens het leven van de kunstenaar werk van hem. Daarnaast mocht het museum in de loop der decennia tal van schenkingen en legaten ontvangen van verzamelaars van De Bruyckers werk. Een omvangrijk overzicht van 150 tekeningen, aquarellen, gouaches en etsen brengt de vaak imaginaire beeldenwereld van De Bruycker nog tot 29 juni 2025 overtuigend tot leven.

Zaalzicht, © Museum voor Schone Kunsten Gent & Martin Corlazzoli
Straatkunstenaar
Zoals je straatfotografen en -muzikanten hebt, zo heb je ook straatkunstenaars. Zij werken vaak in de openlucht of doen er hun voornaamste inspiratie op. Jules De Bruycker was een van hen. Hoewel hij tussen 1880 en 1894 bij tussenpozen studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) in zijn geboortestad, weliswaar zonder er ooit een diploma te behalen, ontwikkelde hij al vroeg een niet-academische, bijna karikaturale tekenstijl die nog het meest aan die van hedendaagse strips en graphic novels doet denken. Zijn bladen stellen vaak burleske, hilarische, spottende, wrange, dramatische, ironische en satirische taferelen voor die blijk geven van een opmerkelijk observatievermogen. Daarin doet De Bruycker aan Pieter Bruegel denken, en dan vooral aan diens picturale massataferelen zoals Kinderspelen en Nederlandse spreekwoorden.
Zo legde De Bruycker gedurende een periode van ongeveer tien jaar talloze keren drukbevolkte markten in de middeleeuwse ‘kuip’ van Gent vast, waaronder de Botermarkt, de Vismarkt, de Vrijdagmarkt, de Groentemarkt en de markt bij Sint-Jacobs. Markten in beeld brengen was in die tijd zowat zijn handelsmerk. Een werk als De Vrijdagmarkt in Gent (1910), in aquarel en gouache, toont vanuit vogelperspectief een bonte wemeling van marktkramers en -gangers, een politieagent, enkele sandwichmannen, handkarren en een wirwar van overdekte en onoverdekte kramen, en dat alles tegen een achtergrond van ‘estaminets’ en winkels met trapgevels. Je weet letterlijk niet waar eerst te kijken, zoveel valt er te beleven op dit tientallen kleuren tellende blad van 72,5 bij 56,5 cm, dat de toeschouwer meer dan eens een (grijns)lach ontlokt.
Momentopnamen
De Bruycker richtte zijn blik ook op anti-pittoreske stadsgezichten. Vooral zijn weergaven van het Patershol – een verpauperde buurt vol krotten in de nabijheid van het Gravensteen en in die tijd zowat een open riool – maken indruk. Maar ook elders in de stad legde De Bruycker het volkse leven in de nauwe, gore, stinkende steegjes vast, in wijken waar het huiselijke leven zich grotendeels op straat afspeelde. Het zwaartepunt lag daarbij niet op de uitwassen van de industriestad die Gent toen was, maar veeleer op de dagelijkse overlevingsstrijd van de stedeling. Zo bekeken is elk van De Bruyckers taferelen een momentopname, waarin de mens en zijn eenvoudige, bijna nietige bestaan centraal staat.
Kortom, De Bruycker was niet blind voor de maatschappij waarin hij leefde. Een werk als De dorstigen laven (1900), uitgevoerd in aquarel, wit krijt, penseel en potlood, verwijst naar de aanhoudende problematiek van het alcoholisme. De satiricus in de kunstenaar maakte dan weer gretig gebruik van het reilen en zeilen in de lokale, landelijke en internationale politiek, en van de regelneverij en dubbele moraal van justitie en politiek.



Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), Frans Masereel in het atelier, 1909, potlood, aquarel en gouache
Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), Steegje in het Patershol in Gent, 1910, contépotlood, pen in zwart, aquarel en gouache
Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), Verkoper op de oude markt in Gent, ca. 1922-1924, potlood, contépotlood, pen in zwart, aquarel en gouache
©Museum voor Schone Kunsten, Gent
Beeldverhalen
De Bruycker legde zijn openluchttaferelen vast in snelle schetsen. De Brusselse schrijver Franz Hellens (1881-1972), voor wiens debuutroman En ville morte (1906) De Bruycker de illustraties leverde, schreef in 1907 over de werkwijze van de kunstenaar: ‘Hij loopt met zijn schetsboek onder de arm, slaat hem de hele tijd open, maakt aldoor krabbels, volgt een voorbijganger, houdt in om de aanblik van een straat vast te leggen en keert terug naar huis, zijn zakken uitpuilend van de bladen met flitsen mensenkennis waarmee hij zijn composities tot leven zal wekken.’
Voor zijn massataferelen en kleinere groepen figuren tekende De Bruycker zijn personages een voor een afzonderlijk. Daarna bracht hij ze op groot formaat samen ‘in een losjes op de werkelijkheid gebaseerd beeldverhaal’. Gaandeweg legde hij een grotere variatie aan de dag door de gemengde techniek toe te passen. Hij vertrok van een aanzet in potlood die hij aquarelleerde, waarna hij vrij grote vlakke partijen in gouache aanbracht of integendeel kleurrijke accenten deed oplichten. Ten slotte versterkte hij de contouren van de figuren, voorwerpen en gebouwen nog eens met Oost-Indische inkt.
Rond 1905-1906 hoogde de kunstenaar zijn tekeningen in gemengde technieken op met krijt en houtskool, en heel af en toe ook met olieverf. Los daarvan maakte hij ook nog steeds zuivere potloodtekeningen, waarin hij zones uitspaarde om bijvoorbeeld grote vlakken te suggereren.
Chargerend uitvergroten
De Bruycker richtte zijn aandacht niet alleen op de straat en op de mensen die er als mieren door elkaar krioelden, maar beleefde ook veel plezier aan de observatie van zijn medemens in het uitgaansleven, zowel in het theater, het ballet en de opera als in het nachtleven, de toen opkomende bioscopen en tijdens volksfeesten als carnaval, feestdagen en stoeten. De Bruycker: ‘Die academies leverden me in overvloed de menselijke types die me interesseerden.’ Voorbeelden daarvan zijn onder meer de bladen Carnaval (1922), Optocht van de reuzen in Brussel (1929) en De Ommegang in Brussel (1931). Carnaval, een tekening van 86 bij 110,7 cm uitgevoerd in contépotlood, aquarel, gouache en pen in zwart, doet erg Ensoriaans aan. Op het eerste gezicht zie je een kleurrijke chaos van verklede mensen, praalwagens, monsterachtige creaturen en vreemde bouwkundige constructies. Alleen bij nader toezien, bij voorkeur met een vergrootglas, ontdek je wat orde in de visuele overrompeling.
Net als in zijn marktscènes komt ook in taferelen als deze De Bruyckers zucht naar ‘chargerend uitvergroten’ tot uiting. Typisch voor hem zijn dan ook de onderling sterk afwijkende verhoudingen van zijn personages, een bijzonder spel van proporties dat hij voor de Eerste Wereldoorlog in veel figuurvoorstellingen toepaste. Volwassenen tekende en schilderde hij in die tijd doorgaans extreem groot en graatmager of integendeel juist gedrongen van gestalte. Kinderen daarentegen beeldde hij verhoudingsgewijs meestal overdreven klein af.

Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), Gentse journalisten, 1907, ets, Museum voor Schone Kunsten Gent
Solitaire figuren en figuurgroepen
Naast voornoemde onderwerpen heeft De Bruycker ook veel solitaire figuren, naakten, zelfportretten en scènes in en rond zijn atelier aan het papier toevertrouwd. Naakten vormen een rode draad in zijn werk, hoewel het voor hem een ongemakkelijk onderwerp was, omdat hij er als mens gêne bij voelde. Dat ging zelfs zo ver dat hij aarzelde om ze in zijn officiële oeuvre op te nemen. Naar aanleiding van de uitgave van zijn oeuvrecatalogus in 1933 schreef hij aan een van zijn verzamelaars: ‘Gelooft u maar dat ikzelf de naakten het liefste zou willen schrappen. Ik heb het ook geprobeerd, maar de uitgever van de catalogus had geen oren naar mijn standpunt. Ik betreur dat, om verschillende redenen.’
Onder De Bruyckers solitaire figuren bevinden zich zowel bekenden als onbekenden. In 1905 en 1906 portretteerde hij meermaals zijn confrater Georges Van de Walle (1861-1923), in 1909 zijn vriend Frans Masereel (1882-1972) en in 1912 ene Claire Van Autryve. Maar evengoed schetste hij afzonderlijk een lompenverkoopster en een brocanteverkoper op de Vrijdagmarkt. Sommige van zijn figuurgroepen bestaan dan weer uit Gentse journalisten, eierenverkopers op de Botermarkt of kopers en verkopers op de Groentemarkt in Brugge. Vooral in de jaren 1907-1908 trok De Bruycker regelmatig naar de hoofdstad van West-Vlaanderen om er net als in Gent onder meer markttaferelen in beeld te brengen. En om er net als in zijn thuisstad de pittoreske plekjes links te laten liggen en zich te concentreren op de volksmens. Links en rechts smokkelde hij daarbij citaten uit de schilderkunst in zijn werk. Op de aquarel Groentemarkt in Brugge (1911) zit links onderaan in beeld een jongetje met een bolhoed op tegen een boom. Hij knabbelt op een wortel. Dat beeld doet meteen denken aan het pap etende kind met rode muts onderaan het schilderij De boerenbruiloft van Bruegel.
Later, tijdens het interbellum, nam steden uitbeelden een centraal motief in De Bruyckers oeuvre in. Hij bracht getekende gezichten mee van zijn reizen naar Frankrijk en prentenreeksen met kathedralen en andere historische trekpleisters in Rouen, Bourges en Amiens. Maar ook in eigen land legde hij gebouwen vast, in steden als Doornik en Antwerpen.
Londen
In 1914, toen de Eerste Wereldoorlog losbarstte, vluchtte De Bruycker naar Groot-Brittannië, waar hij tot 1919 zou blijven. In Londen, waar hij een verblijfplaats vond, raakte hij bevriend met de in Brugge geboren graficus Frank Brangwyn (1867-1956), die hem met raad en daad bijstond en door wiens etsen hij zich liet inspireren. Net als heel wat Belgische kunstenaars in ballingschap werd hij er financieel ondersteund door het Nederlandse verzamelaarsechtpaar Jacob de Graaff en Louise Bachiene. Dankzij hen kon De Bruycker deelnemen aan groepstentoonstellingen in Groot-Brittannië en in diverse neutrale landen op het vasteland, zoals Nederland, Zwitserland en Spanje.
De Bruycker genoot in die periode al behoorlijk wat erkenning. In 1900, op zijn dertigste, had hij zich gevestigd als zelfstandig tekenaar en aquarellist. In 1902 nam hij, geruggensteund door de schilders Jean Delvin (1853-1922) en Emile Claus (1849-1924), voor het eerst deel aan de driejaarlijkse Salons in Gent, die tussen het einde van de achttiende en het begin van de twintigste eeuw een belangrijke rol speelden in de Belgische kunstwereld. Twee van zijn aquarellen werden er tentoongesteld naast werk van James Ensor en Frank Brangwyn.
In 1903-1905 ontving De Bruycker twee ondersteuningsbeurzen van de Belgische Staat en in de periode 1903-1914 stelde hij tentoon in kunstenaarskringen als Cercle d’Art, Kunst van Heden en La Libre Esthétique. Op de koop toe exposeerde de kunstenaar in 1909 een eerste keer op de Biënnale van Venetië. Talloze deelnames zouden nog volgen tussen 1914 en 1938. In 1913 tekende hij bovendien een contract met het Brusselse Maison Dietrich – de eerste kunstboekhandel in de hoofdstad –, met het oog op de verkoop van zijn prenten. Na zijn terugkeer in België werd hij ook nog eens benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde.


Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), De etser (zelfportret), 1925, potlood en contépotlood, particuliere verzameling
Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), Interieur van de Sint-Niklaaskerk in Gent, 1936, potlood en contépotlood, particuliere verzameling
Toenemend succes
Omstreeks 1910 begon De Bruycker zich toe te leggen op opgehoogde houtskool- en krijttekeningen – een techniek die hij vooral toepaste op de reeks tekeningen die hij tijdens de Eerste Wereldoorlog in Londen maakte: ‘hallucinante voorstellingen, tot werkelijkheid verworden nachtmerries’. Opvallend aan die tekeningen is de clair-obscurtechniek, waarin helderlichte partijen schril afsteken tegen gitzwarte, maar verrassend sterk gedetailleerde zones. Terug thuis in België bleef de kunstenaar in dezelfde lijn verder werken, al versoberde gaandeweg zijn lijnvoering. Hij tekende nog altijd drukke taferelen, maar concentreerde zich steeds meer – en in reeksvorm – op een enkel motief. Zijn mengtechnieken liet hij daarbij steeds meer achterwege.
In 1922 nodigde de prestigieuze Brusselse Galerie Georges Giroux De Bruycker uit voor een solotentoonstelling. De kunstenaar was echter niet happig om erop in te gaan: zijn zenuwen speelden hem parten. Na veel aandringen van bewonderaars zwichtte hij toch voor hun argumenten. De tentoonstelling werd een overdonderend succes. Nog in hetzelfde jaar stelde De Bruycker solo tentoon in het Art Institute of Chicago, waarna de expo ook nog Detroit, Cincinnati, Muskegon, Saint-Louis en Kansas aandeed.
In 1924, hij was dan al 54, werd De Bruycker benoemd tot docent in de graveerkunst aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen, een functie die hij tot zijn pensioen in 1935 zou blijven uitoefenen.
Ware roeping
In 1906 leerde De Bruycker in het MSK het werk kennen van de Gentse schilder, graficus en etser Albert Baertsoen (1866-1922), en begon hij zelf ook te etsen. Het bleek naderhand zijn ware roeping te zijn. Als chroniqueur van zijn tijd schetste hij op vaak groteske wijze het volkse leven op straat, in de engelenbak van het theater, in de wachtzaal derde klasse van het Gentse Zuidstation, en vooral op de markten. Sommige van deze vroege etsen werden door De Bruycker bijgewerkt met aquatint (een variant op traditioneel etsen, waarbij geen lijnen maar egale vlakken ontstaan, met een op waterverf lijkend resultaat) en vernis mou (vernis mou onderscheidt zich van de gewone ets door het gebruik van een zacht afdekvernis, dat meestal gemaakt is van talg of vaseline om aan het tekenpapier te hechten).
Ook de etsen van Frank Brangwyn interesseerden De Bruycker. Hij werd geboeid door hun krachtige lijnvoering, sterke licht-donkercontrasten en het grote formaat waarin de architectuur een voorname rol speelde. Tussen 1912 en 1914 realiseerde hij onder invloed van Brangwyn zelf etsen op groot formaat, zoals Het huis van Jan Palfijn, Rond het Gravensteen en Het plaatsen van de draak op het belfort in Gent. Op die etsen kregen de gebouwen monumentale proporties, waardoor de menselijke figuren nietig leken. Op de Biënnale van Venetië, waar ze naartoe gestuurd werden, kenden ze een buitengewoon succes.


Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), De Vrijdagmarkt in Gent, 1910, aquarel en gouache, Stichting Jules De Bruycker
Jules De Bruycker (Gent, 1870-1945), De Veergrep in Gent, ca. 1906, potlood, pen in zwart, gouache en aquarel, particuliere verzameling
Rembrandt en Goya achterna
Tijdens de oorlog in Londen kostte het De Bruycker veel moeite om verder te etsen. Maar in 1915 leende de Engelse kunstenaar Walter Richard Sickert (1860-1942), met wie hij in hetzelfde gebouw huisde, hem enkele kleinere zuurbaden en graveernaalden. Het jaar daarop stelde Frank Brangwyn hem op zijn beurt een groot zuurbad ter beschikking. Het resulteerde in een hele reeks etsen op groot formaat, waarin De Bruycker de oorlogsellende weergaf. Onder invloed van de Amerikaanse schilder, etser en lithograaf James McNeill Whistler (1834-1903), wiens werk hij in Londense musea ontdekte, begon De Bruycker steeds meer aandacht te schenken aan impressionistische elementen. Het leidde tot etsen van stadsgezichten, zoals Piccadilly Circus op een regenachtige dag of de bruggen over de Thames.
De Bruyckers etsstijl toont invloeden van kunstenaars als Rembrandt en Goya, zowel qua techniek als thematiek. Zijn etstechniek wordt vaak geroemd om haar expressieve kracht, dramatische belichting, virtuoze lijnvoering en rijkdom aan detail en sfeer. Welke etstechnieken hij gebruikte, hing af van het gekozen onderwerp. Aquatint gebruikte hij bijvoorbeeld om tonale schaduwen en sfeervolle vlakken te maken. Het is een techniek die een korrelig oppervlak geeft en veel lijkt op schilderachtige wassingen. Dit was ideaal voor het weergeven van lucht, mist, rook of schemerlicht in zijn stadsgezichten of oorlogsscènes. De droge naaldtechniek, waarbij de etser rechtstreeks in de etsplaat krast met een scherpe stift, gebruikte De Bruycker dan weer om gezichten, figuren of intense schaduwen weer te geven. Soms wendde hij in een ets een combinatie van technieken aan, met gelaagde, textuurrijke composities met een grote plastische werking als resultaat.

Zaalzicht, ¢ Museum voor Schone Kunsten Gent & Martin Corlazzoli
Ongewone perspectieven
In de jaren 1930 legde Jules De Bruycker zich steeds meer toe op het tekenen van de Sint-Niklaaskerk aan de Gentse Korenmarkt. Hij had veel vroeger ook al kerkinterieurs getekend, maar toen lag het accent op de kerkgangers en hun ingetogen devotie. Later verdwenen die grotendeels van het voorplan en zocht hij vooral het sacrale aspect met de grootsheid van de architectuur te verbinden. Daarbij ging zijn aandacht steeds uit naar ongewone perspectieven.
Het laatste decennium van zijn leven besteedde De Bruycker aan zijn stadsgenoten. Het leidde tot tientallen pen- en potloodschetsen – vaak niet meer dan krabbels – van de mensen die hij rond zich waarnam, zittend op het terras of binnen in zijn favoriete café Wilson op de Korenmarkt. Van een eenvoudige behangersknecht – een beroep dat hij uitoefende van zijn veertiende tot zijn dertigste – groeide hij, dankzij verzamelaars die hem al vroeg steunden, gaandeweg uit tot een gerespecteerd grafische kunstenaar wiens werk te zien was tot in de Verenigde Staten. Hij overleed in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Die heeft hij, in tegenstelling tot de Groote Oorlog, tot het bittere einde beleefd in zijn geboortestad.
De expo Jules De Bruycker, tekenaar, samengesteld door Johan De Smet en Moniek Nagels (tot 2020), loopt nog tot 29 juni 2025 in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. Meer info vind je hier. Het gelijknamige boek bij de tentoonstelling is een uitgave van het MSK. Het is verkrijgbaar of te bestellen in elke boekhandel. Je kunt het ook kopen in het MSK (40 EUR).

Zaalzicht, Copyright Museum voor Schone Kunsten Gent & Martin Corlazzoli
- Bram Bogart: rock-‘n-roll met verf - maart 4, 2026
- Frank Raes: voormalig sportjournalist ontpopt zich tot fotograaf - februari 20, 2026
- Een existentieel avontuur: 45-65. Jan Walravens, kunstcriticus - januari 23, 2026



