Tachtig jaar geleden overleed de Oostendse tekenaar, illustrator, lithograaf en kunstschilder Léon Spilliaert (1881-1946). Samen met onder meer James Ensor behoorde hij in ons land tot de belangrijkste beeldende kunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Zowel Ensor als Spilliaert zijn vandaag nog altijd onderwerp van tentoonstellingen in musea en vooraanstaande galeries wereldwijd. De volgende, met werk van Spilliaert, vindt onder de titel Close to Léon Spilliaert: Dialoog met hedendaagse kunst plaats in veilinghuis Native Auctions Brussels van 26 augustus tot 26 september 2026.
Hedendaagse dialoog
Curatoren zijn fotograaf Eddy Verloes en ereconservator Anne Adriaens-Pannier van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB). Bijzonder aan de expo is dat het de eerste is waarin het werk van Spilliaert in dialoog gaat met dat van verwante, hedendaagse kunstenaars. Naast werk van Spilliaert zal in de tentoonstelling Close to Léon Spilliaert werk te zien zijn van achttien kunstenaars: Michaël Borremans, Dirk Braeckman, Christo, Yoan Capote, David Claerbout, Bert De Beul, Berlinde De Bruyckere, Thierry De Cordier, Antony Gormley, Alex Mortelmans, Hans Op de Beeck, Iris Schomaker, Koenraad Tinel, Luc Tuymans, Koen van den Broek, Stephan Vanfleteren, Olivier Van Rossum en Eddy Verloes. Onder hen schilders, tekenaars en fotografen. Wat de tentoonstelling extra prikkelend maakt, is dat een derde van de werken nooit eerder getoond is, tenzij decennia geleden. Wij spraken met beide curatoren.
Eerst een kleine correctie: het werk van Spilliaert ging al eerder in dialoog met één hedendaagse kunstenaar, namelijk fotograaf Dirk Braeckman. Onder de titel Dirk Braeckman – Léon Spilliaert: Nachtdieren vond die tentoonstelling plaats in Kunstmuseum Den Haag van 12 oktober 2024 tot 19 januari 2025. Ter illustratie: in 2006 organiseerde Anne Adriaens-Pannier – dé Spilliaert-kenner bij uitstek – een grote Spilliaert-retrospectieve in de KMSKB, waar 300.000 bezoekers op afkwamen. Adriaens-Pannier had in de laatste zaal van die tentoonstelling graag een schilderij van Bert De Beul opgehangen, omdat het inhoudelijk mooi overeenstemde met de vele flacons en dozen die Spilliaert in verschillende technieken op papier aanbracht. Maar dat vond de toenmalige museumdirectie niet kunnen. Nu, twintig jaar later, zijn de geesten wel rijp om het werk van de Oostendse meester een ‘gesprek’ te laten aangaan met dat van hedendaagse kunstenaars.
Bert De Beul
Bert De Beul, Stilleven met dozen, 2005 (olie op doek, 62 x 73,5 cm). © Luc Schrobiltgen.
Patrick Auwelaert: ‘Wie kwam op de idee voor de tentoonstelling?’
Eddy Verloes: ‘Mijn fotoreeks over in het zwart geklede chassidische jongens op het strand van Bredene tijdens de coronaperiode is het begin geweest van alles. Steeds meer mensen begonnen foto’s van mij te kopen en zeiden mij dat ik de Spilliaert onder de fotografen was. Onder hen dichter Paul Demets, die in 2021 een dichtbundel uitbracht onder de titel De landsheer van de Lethe, geïnspireerd door het werk van Spilliaert. Toen rees bij mij de idee om een tentoonstelling te plannen met werk van Spilliaert in het Meeting- en Eventcentrum Staf Versluys te Bredene. Daar heb ik vijf jaar geleden tentoongesteld, samen met schilder Luc Peter Crombé, een kunstenaar van de vierde Latemse School. Vervolgens heb ik Anne Adriaens-Pannier gecontacteerd om haar mijn idee voor te leggen.’
Anne Adriaens-Pannier: ‘Eddy, wiens werk ik toen nog niet kende, contacteerde mij inderdaad om te praten over zijn zwart-witfoto’s van Joodse jongens op het strand van Bredene. Dat was nadat hij de tentoonstelling Dirk Braeckman – Léon Spilliaert: Nachtdieren had gezien in Den Haag. Met die foto’s heeft Eddy veel internationale prijzen gewonnen. Ze worden ook wereldwijd tentoongesteld. Je vindt er de sensibiliteit en melancholie in terug die je ook bij Spilliaert aantreft. Met Eddy kwamen we dan op de idee om een tentoonstelling te organiseren rond het werk van Spilliaert en dat van hedendaagse kunstenaars. Het uitgangspunt zag ik echter meer specifiek. Terugdenkend aan mijn ervaring met de retrospectieve van Spilliaert in de KMSKB in 2006, waar ik een werk van Bert De Beul aan had willen toevoegen, dacht ik eerder aan een groepstentoonstelling met een groep kunstenaars die in dialoog zouden gaan met Spilliaerts werk. In die periode stond de figuratieve schilderkunst opnieuw in de belangstelling, met namen als Luc Tuymans, Michaël Borremans, Bert De Beul en Koen van den Broek.’
Auwelaert: ‘Waarom kozen jullie voor deze achttien hedendaagse kunstenaars en niet voor achttien anderen?’
Adriaens-Pannier: ‘Voor mij was het uitgangspunt het werk van Bert De Beul. Luc Tuymans, die een belangrijke rol speelde in de realisatie van de retrospectieve van Léon Spilliaert in de Royal Academy of Arts te Londen mocht ook niet ontbreken. Van hem tonen we een bijzonder zelfportret op papier uit 1976. Hij was toen achttien.’
Léon Spilliaert, De flacons, 1909 (gewassen Oost-Indische inkt, penseel op papier, 48,6 x 63,5 cm). © Luc Schrobiltgen.
Kleine formaten
Adriaens-Pannier: ‘Michaël Borremans heb ik leren kennen via mijn dochter. Hij zei ooit tegen mij: “Ik heb altijd naar Spilliaert gekeken.” Om die reden heb ik hem uitgenodigd om in 2019 mijn monografie Léon Spilliaert: from the Depths of the Soul [de Engelse vertaling van Léon Spillaert: de bezielde blik (2006), nvdr] voor te stellen. Toen wees hij mij erop dat Spilliaert veel met kleuren werkte, terwijl ik altijd dacht: Spilliaert is zwart-wit.’
‘De keuze voor Thierry De Cordier is toevallig: ik kende zijn werk en wist dat hij marines schilderde, vooral in zeer grote formaten. Toen ik alle geselecteerde kunstenaars twee jaar geleden aanschreef, liet ik hen weten dat de werken voor de tentoonstelling op papier moesten zijn, hoewel ik voor enkelen een uitzondering maakte, en het formaat niet groter dan 60 bij 40 cm, omdat Spilliaert ook altijd op kleine formaten werkte. Van De Cordier zag ik bij een verzamelaar een mooi en boeiend werk van bescheiden afmetingen in de vorm van een bewerkte ets.’
‘Bij de keuze van de werken was de compositie belangrijk, bijvoorbeeld met oog voor perspectief of een duidelijk voor- en achterplan. Al jaren verzamel ik reproducties van werken die hiermee te maken hebben, onder meer van Koen van den Broek. Hij werkt echter bijna altijd op grote formaten, dus dat lag moeilijk. Enkele jaren geleden bezocht ik in het Museum Dhondt-Dhaenens de tentoonstelling van de verzameling Andries-Vanlouwe, een schenking aan het museum. Ik zag er drie werken die mij interesseerden: een niet al te grote Tuymans, een Spilliaert, en een werk van Koen van den Broek van gemiddeld formaat, al blijft dit wel het grootste werk in de tentoonstelling.’
Ruilhandel
Adriaens-Pannier: ‘Hans Op de Beecks werk op papier vond ik altijd zeer goed, melancholisch ook. Vorig jaar stelde Op de Beeck op Art Basel zijn nieuwe boek voor [Nocturnal Journey (2025), nvdr]. Ik liet hem mijn exemplaar tekenen en sprak hem aan over Spilliaert, waarop hij zei: “Ik was een van de eersten die in 2006 een interview gegeven heeft waarin ik op Spilliaert wees.” Een tijdje daarna zag ik bij verzamelaars een werk van Op de Beeck, niet te groot van formaat, met daarop een vrouw vanop de rug gezien, en dat mocht ik uitlenen.’
‘De keuze voor Koenraad Tinel is er gekomen dankzij Eddy. Tinel heeft eerder dit jaar in het Emile Verhaeren Museum bomencomposities getoond in dialoog met de bomen van Spilliaert en met werken van nog een vijftal andere kunstenaars. Ook David Claerbout leerde ik kennen via mijn dochter. Zij was bevriend met Claerbouts eerste assistente. Mijn dochter vertelde mij dat Claerbout niet alleen geïnteresseerd is in kunst, maar ook in motorfietsen, en zo gebeurde het dat mijn echtgenoot zijn motor ruilde voor een aquarel. Claerbout maakte ze als voorbereidend werk voor zijn film Travel.’
Achterkleinzonen
Adriaens-Pannier: ‘En dan is er het verhaal van de fotografen. In dit milieu heeft Eddy een groot netwerk. Stephan Vanfleteren hebben we ontmoet tijdens zijn tentoonstelling Transcripts of a Sea in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. Hij was onmiddellijk bereid om mee te werken en vroeg wat we wilden hebben. We hebben gekozen voor onder meer een zeezicht en een zelfportret, als verwijzing naar de vele zelfportretten van Spilliaert. Dirk Braeckman moest er natuurlijk ook bij, met een prachtige reeks zeezichten, net als de zeer stemmige foto’s van Eddy. Eén van de achterkleinzonen van Léon Spilliaert, Olivier Van Rossum, is ook fotograaf. Ik had met hem al heel wat contact gehad en wilde hem erbij betrekken. Vreemd genoeg wilde hij er niet voor uitkomen dat hij een familiale band heeft met Spilliaert. Dat gebeurt wel meer, dat die mensen anoniem willen blijven. Van hem tonen wij twee kleine werken en één groter werk. En dan is er nog een andere achterkleinzoon van Spilliaert, Alex Mortelmans, die als grafisch kunstenaar en meubeldesigner door het leven gaat, al is hij architect van opleiding. Van hem hebben we enkele aquatinten gekozen. Op die manier breidden we ons verhaal mooi uit.’
‘En dan de buitenlandse kunstenaars. De Britse beeldhouwer en tekenaar Antony Gormley is iemand die wij al een tijdje volgen. We hebben ooit een tekening van hem gezien, die een grote verwantschap vertoont met het thema van eenzaamheid in het werk van Spilliaert. Net zoals het werk van de Duitse kunstenares Iris Schomaker en haar eenzame vrouw in een boomlandschap.’
‘Christo is een ander verhaal. Hij was een familievriend. Toen ik zwanger was van mijn tweede kind, maakte hij speciaal voor de gelegenheid een kleine tekening. Later vonden wij van hem een tekening van een project dat nooit is uitgevoerd. De tekening, als collage uitgevoerd in zwart-wit, vertoont door de diagonale lijnvoering een mooie dieptewerking.’
‘Zeer recent is het werk van Yoan Capote, tentoongesteld in een galerie in San Gimignano. Hij is van Cubaanse oorsprong en de zee als thema is voor hem overheersend. Als je het werk van ver bekijkt, zie je een hele lichte wolkenhemel, met op de voorgrond lichtgroene golven. Bekijk je het werk van dichterbij, dan zie je dat die golven een collage vormen, gemaakt van groene banden papier die uit printers komen als je iemands hartslag meet. En dat sluit aan bij de levensproblematiek die zij vandaag in Cuba kennen. En zo is de expo gegroeid, en hebben Eddy en ik samen beslist: dit nemen we wel, dit nemen we niet.’


Léon Spilliaert, Landschap met bord, 1904 (gewassen Oost-Indische inkt, penseel, aquarel, kleurkrijt op papier, 49,6 x 64,6 cm). Courtesy Patrick Derom Gallery. © Vincent Everaerts.
Eddy Verloes, When the light gets in (Knokke), 2019 (gomdruk over cyanotypie op papier (Sander Niemeijer), 55,5 x 42,2 cm). © Eddy Verloes.
Bredene verruild voor Brussel
De tentoonstelling Close to Léon Spilliaert zou oorspronkelijk plaatsvinden in het Meeting- en Eventcentrum Staf Versluys te Bredene van 1 juli tot en met 31 augustus. Anne Adriaens-Pannier en Eddy Verloes werkten daartoe al sinds oktober 2024 samen met medewerkers van het centrum. De kranten De Standaard en La Libre Belgique hadden de tentoonstelling al aangekondigd, de affiche was ontworpen en de catalogus, in de vorm van een brochure, was al vormgegeven. Ook logistiek was alles al tot in de puntjes geregeld. Tot de curatoren een maand geleden van de algemeen directeur van het centrum te horen kregen dat het project niet kon doorgaan omdat hij niet kon instaan voor de beveiliging en de hoge kosten. Dat was, eufemistisch gezegd, een flinke domper op de feestvreugde. De tentoonstelling annuleren was echter geen optie voor beiden. Dankzij haar uitgebreide netwerk slaagde Adriaens-Pannier erin om een nieuwe locatie in Brussel te vinden. Dat brengt wel de nodige veranderingen met zich mee. Zo zal de catalogus nu tweetalig zijn, terwijl in Bredene enkel een Nederlandstalige versie voorzien was.
Adriaens Pannier: ‘Het mooie van Spilliaerts werk is dat we het in ons oorspronkelijk project in relatie konden brengen met Bredene. Want Bredene vertegenwoordigde een nieuwe invalshoek tegenover alle andere Spilliaert-tentoonstellingen die ik al gemaakt heb. Spilliaert wandelde veel. De ene keer van Oostende naar Mariakerke, de andere keer van Oostende naar Bredene. En Eddy’s foto’s van chassidische jongens waren genomen op het strand van Bredene, waar ze prachtige duinen hebben die Oostende niet heeft.’
Auwelaert: ‘Waren de geselecteerde kunstenaars vrij om zelf een werk te kiezen dat bij het concept van de tentoonstelling paste?’
Adriaens-Pannier: ‘Voor de helft wel, voor de andere helft niet. Sommige werken heb ik in bruikleen gekregen van verzamelaars, andere zijn door de kunstenaars aangebracht. Berlinde De Bruyckere is de enige van alle deelnemende kunstenaars die speciaal voor de expo een werk gemaakt heeft. Daar heb ik een werk van Spilliaert aan kunnen koppelen dat ik nog nooit had gezien, tot iemand mij zes maanden geleden belde met de boodschap dat er een nieuwe Spilliaert was opgedoken. Ik ben dan het werk gaan bekijken en ik zag meteen dat het perfect paste in het concept van de expo. Dat was een belangrijk uitgangspunt, want de tentoonstelling is heel projectgericht, en elk werk moet passen in het project.’
Conceptueel
Auwelaert: ‘Spilliaert maakte zijn werk vanuit een welomschreven visie. Moesten de door jullie geselecteerde kunstenaars ook over een duidelijke visie beschikken?’
Adriaens-Pannier: ‘Léon Spilliaert werkte als een conceptueel kunstenaar. Hij nam een blad papier en hij wist op dat ogenblik al, ook door de techniek die hij gebruikte, wat hij ging doen. Het beeld zat al in zijn geest. Hij vertaalde dat in zijn werk door bijvoorbeeld delen van het beeld waar lichtinval moest plaatsvinden uit te sparen. Dus het is echt conceptuele kunst. Of dat ook het geval is bij de andere kunstenaars, daar heb ik nooit over nagedacht. Het zijn meestal schilders, en die schilderen laag op laag op laag, terwijl Spilliaert eerder als aquarellist aan de slag ging. Wellicht werken de geselecteerde kunstenaars anders. Het specifieke van Spilliaert is dat hij zegt dat de thema’s niet belangrijk zijn, maar als je dan naar zijn series flacons kijkt, dan kan hij met het gegeven van één fles…wat ik hier zie…[op de tafel waaraan het interview plaatsvindt staan een fles water en drie glazen, nvdr] ook de weerspiegeling bijvoorbeeld van dat vensterraam weergeven, dat zal hij onmiddellijk gezien hebben. Net zoals de weerspiegeling van de doorkijk op dat andere glas erachter. Dus het is elke keer opnieuw geen kopie van een thema, maar een andere versie.’
‘In het werk van Koen van den Broek herken ik de structurele opzet die soms vanuit twee gezichtspunten vertrekt, precies zoals bij Léon Spilliaert. Ook Koen van den Broek respecteert immers niet de juiste renaissanceperspectieven. Spilliaert had die door zijn erg korte periode aan de kunstacademie nooit bestudeerd. Daarom is hij ook zo vernieuwend geweest in zijn tijd. Het is tegelijk ook de reden waarom hij niet gewaardeerd werd: omdat hij het anders deed dan de impressionisten, luministen en symbolisten. Hij zou zeer kwaad geweest zijn als we een etiket op hem zouden kleven. Ik heb er jaren voor moeten vechten in de KMSKB, waar ze hem onderbrachten in het negentiende-eeuwse symbolisme. Hij is een pionier geweest van het expressionisme, van het surrealisme… Hij heeft alles gezien, maar hij heeft zich niet verlaagd door te doen wat anderen deden. Eén keer heeft hij een futuristisch werk gemaakt, op een heel doordachte manier. Hij was dan ook een nieuwsgierige man die ontzettend veel las. Er was toen geen radio en televisie. Hij las Nietzsche en Schopenhauer, maar altijd in Franse vertalingen. Er bestonden toen ook nog geen boekuitgaven van die filosofen. Die kwamen pas later uit, dus hij las de teksten van die filosofen in tijdschriften. Later heb ik in zijn bibliotheek wel filosofische werken gevonden, maar die werden in de jaren twintig en dertig uitgegeven. Ik probeer de zaken altijd in hun historische context te plaatsen. Ik heb ooit eens een voordracht in Italië gegeven, waar ze zeiden: “Léon Spilliaert, dat is net De Chirico.” Waarop ik zei: “Mag ik dat even corrigeren? Eerst was er Spilliaert, daarna pas De Chirico.”’
Léon Spilliaert, Zelfportret met gele vest, 1911 (potlood, aquarel, gewassen Oost-Indische inkt, penseel, gouache op papier, 31,9 x 23,6 cm). © Steven Decroos.
Literaire bijdrage
Adriaens-Pannier: ‘Wat het conceptuele betreft in Spilliaerts werk: Spilliaert was een intellectueel, en dat is het grote verschil met Ensor. Toen Spilliaert jong was, keek Ensor met achterdocht naar hem. Maar toen verhuisde Spilliaert naar Brussel, waar hij verbleef van 1917 tot 1922. Ondertussen kreeg Ensor de erkenning die hij verdiende. Toen Spilliaert daarna naar Oostende terugkeerde, was Ensor de zestig voorbij. Spilliaert was in die periode veertig, eenenveertig. Van rivaliteit tussen beiden was dan geen sprake meer. Ensor zag ook wel dat wat Spilliaert deed kwaliteitsvol was. Spilliaert heeft trouwens net als Ensor ook humoristische werken gemaakt, waardoor je soms niet ziet of het om een Ensor of een Spilliaert gaat. Maar om het antwoord op uw vraag kort samen te vatten: Spilliaert was een conceptueel kunstenaar omdat bij hem de idee primeerde.’
Auwelaert: ‘Eric Rinckhout heeft voor de tentoonstellingscatalogus een heel mooi essay geschreven. Hoe kwamen jullie bij hem terecht?’
Adriaens-Pannier: ‘Ik had oorspronkelijk twee mensen aangesproken: Geert Van der Speeten van De Standaard en Guy Duplat van La Libre Belgique. Maar beiden weigerden mijn aanbod vanuit de redenering: wij zijn journalisten en geen kunstcritici. Als we daarmee beginnen, dan komt er geen eind aan. Eddy stelde dan voor om eens te polsen bij freelancejournalist Eric Rinckhout, die hij kent. Gelukkig was Rinckhout wel bereid om met ons in zee te gaan, want we wilden ook een literaire bijdrage voor de catalogus. De tentoonstelling die we maken is bestemd voor een groot en breed publiek. Eric Rinckhouts schrijfstijl voldoet wat dat betreft aan onze verwachtingen: hij schrijft helder en in een mooi Nederlands.’
Geen schoonschilder
Auwelaert: ‘Denkt u dat Spilliaert wereldwijd veel bekender zou zijn als hij niet zo’n solitaire, eenzelvige, misantropische man was geweest? En was dat eigenlijk niet de tragiek van zijn kunstenaarschap?’
Adriaens-Pannier: ‘Het heeft niet met de man te maken en ook niet met zijn houding. Het heeft te maken met het feit dat zijn kunst moeilijk paste in de algemene tendens in de schilderkunst van die tijd. Het is intellectuele en spirituele kunst waar je niet elke dag naar wilt kijken. Wilt u alle dagen naar die donkere flessen kijken? Het is dus niet de aard van het beestje, maar de aard van de kunst. En ook, het was de techniek die hij gebruikte. Oost-Indische inkt op papier, dat werd beschouwd als ‘tekeningetjes’ en niet als iets van waarde. Wat dat betreft vertel ik u een verhaal: Léon Spilliaert en Constant Permeke [1886-1952, nvdr] waren bevriend en woonden allebei in Oostende. Permekes vader Henri-Louis was ooit de eerste conservator van het Museum voor Schone Kunsten in Oostende. En zowel vader als zoon Permeke hadden aan de academie gestudeerd. Op een bepaald ogenblik verhuisde Constant Permeke naar Sint-Martens-Latem, maar hij en Spilliaert bleven zo goed bevriend dat Permeke in de jaren twintig een portret schilderde van Spilliaert en diens vrouw Rachel. Nadien beklaagde Rachel zich bij haar echtgenoot omdat ze vond dat hij ook moest beginnen te schilderen, zodat er meer geld in het laatje kwam. Spilliaert is dan beginnen te schilderen, hoewel hij geen schilder was. In alle thematische tentoonstellingen rond Spilliaert, en ik heb er negen gemaakt, heb ik altijd een schilderij van hem opgenomen, maar ik zou nooit een tentoonstelling maken met alleen schilderijen van Spilliaert. In 2006 heb ik er vijf of zes getoond, de beste. Ik zeg altijd dat Spilliaert geen schilder was omdat hij daar niet voor opgeleid was, en omdat hij daardoor geen enkele voeling had met olieverf. Hij kladderde er maar op los. Terwijl zijn gouaches en aquarellen emotievol zijn. Spilliaert heeft maar enkele maanden gestudeerd aan de academie, en daar leerde men in die tijd alleen tekenen. Schilderen deed men bij een gevestigde schilder. Je had een aantal grote schilders in Brussel en daar kon je leren schilderen. Zelf heeft Spilliaert wat schilderen betreft veel gehad aan zijn vriendschap met Georges Baltus [Georges-Marie Baltus (1874-1967), nvdr], een schilder die renaissancekunst maakte en die technisch zeer begaafd was. Baltus raadde Spilliaert aan om zijn olieverf te mengen met caseïne, maar dat liep faliekant af, waarschijnlijk omdat hij niet de juiste verhoudingen gebruikte. Spilliaert was, kortom, geen ‘schoonschilder’, en in die tijd wilde men alleen maar schoonschilders. Veel van zijn deprimerende zelfportretten zijn om die reden in de familie gebleven.’
Auwelaert: ‘Duiken er af en toe nog onbekende werken van Spilliaert op?’
Adriaens-Pannier: ‘Maandelijks duiken er nog twee, drie onbekende werken van Spilliaert op. Op dit ogenblik zijn er rond de 5000 werken van hem bekend. Hij was een veelschilder omdat de technieken die hij gebruikte hem toelieten om snel te werken. Gelukkig heeft Spilliaert nooit aan de academie gestudeerd – op enkele maanden tekenlessen na –, anders zou hij een klassieke opleiding gehad hebben, met een ander oeuvre als resultaat. Men heeft hem nooit in een hokje kunnen stoppen, en dat wilde hij ook niet. Hij heeft ook nooit een galerie gehad. Als hij al in zee ging met galeriehouders, dan kwam daar binnen de kortste keren ruzie van, want Spilliaert was een moeilijk man. Zijn ruzies gingen altijd over geld, met Galerie Giroux in Brussel bijvoorbeeld, waar een proces van kwam. Spilliaert had weinig middelen. Zo wilde hij nooit betalen voor zijn kaders. Hij wilde ook altijd eenvoudige lijsten. Op de koop toe verkocht hij werk achter de rug van galeriehouders om, en dat vonden die natuurlijk niet leuk.’
Luc Tuymans, Zelfportret, 1976 (aquarel op papier, 24 x 34,3 cm). © Cedric Verhelst.
Een zee van expo’s
Sinds Spilliaerts grote retrospectieve te Brussel in 2006 worden zijn werken voortdurend in bruikleen gevraagd voor uiteenlopende thematische tentoonstellingsprojecten. Dat kan gaan van een confrontatie met tijdgenoten tot een dialoog met kunstvormen ontstaan na zijn tijd, zoals fotografie, film en video. En daarbij wordt Spilliaert niet alleen gezien als vertegenwoordiger van het symbolisme, maar ook als voorloper van het expressionisme, het surrealisme, de metafysische en de conceptuele kunst. Alleen al de laatste zeven jaar vonden er groots opgezette evenementen plaats rond zijn werk. Zo bracht de Londense Royal Academy of Arts in 2020 een overzichtstentoonstelling van Spilliaert, nadat ze dat al eerder had gedaan voor het werk van James Ensor. De expo, gecureerd door Adriaens-Pannier, betekende Spilliaerts doorbraak in het Verenigd Koninkrijk. Ze kwam er op instigatie van Luc Tuymans. In hetzelfde jaar reisde ze door naar het Musée d’Orsay in Parijs. Spilliaert werd daarmee definitief opgenomen in het internationale verhaal van het Europese symbolisme en modernisme.
Ook de KMSKB droegen nogmaals hun steentje bij: naast een vaste presentatie in het Fin-de-Siècle Museum organiseerden ze in 2023 de focuspresentatie Léon Spilliaert: The Early Years, rond Spilliaerts tekeningen en illustraties voor het theaterwerk van Maurice Maeterlinck. In 2025 en 2026 volgden twee beperkte solotentoonstellingen bij David Zwirner Gallery – de galerie van Luc Tuymans –, een in de New Yorkse vestiging en een in die van Parijs. In Parijs ging Spilliaerts werk in dialoog met dat van zijn tijdgenoten Edvard Munch en Vilhelm Hammershøi. In 2025-2026, ten slotte, vond in Museum De Reede te Antwerpen de expo Léon Spilliaert – De Oorsprong van het Beeld plaats. Ze focuste op Spilliaerts tekeningen en prenten, en op zijn creatieve proces. En laten we ook de thematentoonstellingen niet vergeten die onder leiding van Anne Adriaens-Pannier plaatsvonden in Het Spilliaert Huis in de rotonde van het Thermae Palace Hotel te Oostende. Dat opende in mei 2016 de deuren, maar moest er al een vijftal jaar later de brui aan geven wegens structurele problemen in het gebouw.
En daar blijft het niet bij: naast Close to Léon Spilliaert staan er de komende vijf jaar nog meer tentoonstellingen van Spilliaerts werk gepland waar Adriaens-Pannier de hand in heeft, onder meer in Menil’s Drawing Center te Houston, VS, in 2027. Daarna reist de expo verder naar Philadelphia (2028). In 2029 volgt nog een retrospectieve tentoonstelling in samenwerking met de Royal Academy of Arts in Japan, eerst in Tokyo, daarna in Kyoto. En in 2031 komt er opnieuw een tentoonstelling in Mu.ZEE te Oostende, ter gelegenheid van de 150ste geboortedag van Spilliaert.
Maar eerst is er dus Close to Léon Spilliaert: Dialoog met hedendaagse kunst. Vanaf deze zomer te bekijken!
NATIVE Auctions, Amerikastraat 26-28, 1060 Brussel (Sint-Gillis, tegenover het Hortamuseum). Open van woensdag tot zaterdag van 11 to 18 uur. Gratis toegang – Een tweetalige catalogus is beschikbaar.
Anne Adriaens-Pannier en Eddy Verloes. De drie zwart-witfoto’s aan de wand zijn van Eddy Verloes. © Eddy Verloes.
- Yves Klein en zijn kunstenaarsfamilie: Frits, Marie en Rotraut - juli 10, 2026
- Improvisatie als leidmotief: Bart Vandevijvere - juni 19, 2026
- Léon Spilliaert in dialoog met hedendaagse kunst te Brussel – een voorbeschouwing - juni 12, 2026









juni 12, 2026
Zeer mooi en informatief artikel!
juni 12, 2026
Bedankt, Paul! Er is heel wat werk ingekropen!
juni 12, 2026
Heel veel dank, Patrick, voor je accuraat voorbereidingswerk en je uitgebreide uitwerking van onze bijeenkomst in Gallery Louise Linthout Brussels. Je bent een journalist met een bijzonder groot verantwoordelijkheidsgevoel en een enorme interesse in de kunst in het algemeen.
juni 12, 2026
Eddy, nu doe je me echt wel blozen! Met veel plezier gedaan trouwens. Elk nieuw artikel, met alles wat eraan voorafgaat, is een verrijking van mijn leven!
juni 22, 2026
Beste Anne Adriaens-Pannier.
Mijn Naam is Jan De Maesschalck, kunstenaar nu bij Martins & Montero, en 21 jaar deel uitmakend van Zeno X Gallery.
Naar aanleiding van een bezoek aan lopende expo bij Patrick Derom Gallery (13 juni) hadden we een gesprek over 2 werken van mijn hand die sterk geïnspireerd door Heer Spilliaert. Mijn eigen variante van Spilliaert’s pasteldoos ooit gepubliceerd in De Standaard Magazine was u ook niet onbekend.
Daarnaast vertelde ik ook over een minder bekend werkje van collega Luc Tuymans, genaamd ‘Zeeofficier’ uit 1978, Luc was toen 20 jaar en, is ook zeer verwant aan Spilliaert zijn werk
U noteerde mijn gegevens maar ik zou u graag beelden van 3 bovenstaande werken tonen.. vergat echter uw coördinaten
te noteren, email adres is voor mij het handigst om deze 3 beelden door te sturen.
Dank, en met vriendelijke groeten,