Kunst heeft geen boodschap nodig om te bestaan. “Kunst is vrij,” zegt Maria Blondeel, wanneer ik haar vraag waar haar werk “over” gaat. Ze verwijst daarbij naar het boek “Bleu, Histoire d’une couleur” van Michel Pastoureau, die benadrukt dat betekenissen niet in de dingen zelf schuilen, maar in de samenleving die ze voortbrengt. Dit inzicht kleurt haar praktijk: niet het verklaren staat centraal, wel het zichtbaar maken van hoe licht, tijd en geluid zich voordoen als noodzakelijke verschijnselen, terwijl hun bestaan uiteindelijk op toevallige ontmoetingen met de werkelijkheid berust.
Begin jaren tachtig drong digitale technologie nog niet door in het dagelijkse leven. In de kunstopleidingen in Vlaanderen bestond er geen vak “mediakunst”, laat staan “geluidskunst”. Maria stopte in 1984 voortijdig met KASK omdat er geen atelier bestond waar ze met die media aan de slag kon. Ze koos voor een eigen pad, in de sporen van voorgangers die buiten de gebaande paden werkten en de grenzen van de gangbare praktijk verkenden. Kunstenaars die in die jaren bewust met media werkten, waren uitzonderingen; de meesten van haar generatie kozen voor schilder- of beeldhouwkunst.
Ook “crossmediale” kunst was nog lang niet geijkt. De kunstmarkt was allerminst georiënteerd op kunst en technologie. Traditionele instanties waren in beweging, maar nog schuchter en niet uitgekristalliseerd. In die context ontwikkelde Maria een artistieke taal die het technisch-materiële inzet om het toeval tastbaar te maken.
In haar vroege werk vermeed ze video niet uit wantrouwen, maar uit precisie: de resolutie voldeed voorlopig niet voor haar fotografische werk met lichtprojecties en -sensoren. Ze koos voor computergestuurde diaprojectoren, lichtsensoren en klankgeneratoren. Video was intussen relatief toegankelijk, in tegenstelling tot de computergestuurde multivisie projecties die zij voor ogen had.
De apparaten die vandaag in haar atelier staan – oude computers, diaprojectoren, cassetterecorders, pick-ups, cd spelers – zijn daarom geen relikwieën. Het zijn actuele instrumenten die nog steeds het fundament van haar praktijk vormen. Ze dragen het werk en worden, waar nodig, opnieuw geactiveerd. Het gaat Maria dan ook niet zozeer om de technologie “an sich”, wel om wat die technologie kan onthullen: hoe een beeld ontstaat, vertraagt, oplost; hoe een geluid ruimtelijk wordt; hoe tijd een materiaal kan zijn.

©Maria Blondeel: Bal, Dozen en Vazen (1987) – dia’s en audiocassette, Emergent Veurne 2020
Ritme, duur en klank: het werk als gebeurtenis
Vanaf haar eerste diaprojecties speelt tijd een hoofdrol. Niet alleen de sequentie, ook de titels van elke afzonderlijke blauwdruk van Sunny Blues (Sonic Blues), 1993 verwijzen naar pauzes en projectieduur. Dat temporale kader maakt van het werk een gebeurtenis: je kijkt niet naar een object, je maakt – al dan niet bewust – een tijdspanne mee. Met sensoren en eenvoudige algoritmes betrekt ze de toeschouwer mee in het ontstaan van het werk, dat pas vorm krijgt op het ogenblik dat het getoond wordt; wie aanwezig is, wordt mede-uitvoerder van wat verschijnt en weer verdwijnt.
Geluid maakt integraal deel uit van dit proces. De klankband bij BORDEN (1985), De Vaatwas, die in 2023 op audiocassette werd heruitgegeven ter gelegenheid van haar tentoonstelling Continuous Remastering (BORDEN) in het gemeentelijk museum Gevaert-Minne, maakte van meet af aan deel uit van het werk. Voor haar dia-installatie Bal, Dozen en Vazen (1987), die ze in 2020 tentoonstellende in galerie Emergent in Veurne, ontwikkelde ze een “sonificatie van het licht”, waarbij ze lichtfrequenties omzette naar klank. Die keuze heeft een biografische lijn: al aan de kunsthumaniora, eind jaren zeventig, diende ze haar eindwerk in als ingesproken audiocassette, niet als geschreven paper.

Maria Blondeel – De Vaatwas (BORDEN) – duur 21 minuten audiocassete remaster 2023 | Foto © Didier Verriest
Blauwdruk (diazotypie): het efemere als materiaal
“Blauwdruk” is bij Maria geen enkelvoudige reeks, maar een procedé dat ze van 1985 tot het begin van het nieuwe millennium als fotografisch materiaal gebruikte – tot het diazopapier niet langer geproduceerd werd. Het diazoprocedé is tijdelijk, “niet-lichtecht” en vraagt om omwegen om zijn sporen vast te houden. Hoe eenvoudig de resulterende beelden ook lijken, ze roepen een veelheid aan associaties op. Hun contouren zijn nooit scherp, hun schaduwen zacht verdwijnend: wat niet is, is even wezenlijk als wat zichtbaar is. Derrida zou beweren dat betekenis ontstaat bij afwezigheid.
Door haar blauwdrukken over lange tijd ‘vast’ te leggen op het negatief, speelt Maria met een paradox: de indruk van fixatie benadrukt juist de onmogelijkheid om het beeld voorgoed vast te leggen. De emulsie maakt elke vorm vluchtig; de analoge en digitale middelen die het resultaat conserveren, beklemtonen slechts hoe het ons telkens ontsnapt – zoals Daphne steeds ontsnapt aan de begeerte van Apollo, zoals Bart Verschaffel het mooi omschreef. Elke vorm bestaat bij gratie van haar verdwijnen, als getuigenis van een hapering in de tijd.
Maar ook de afwezigheid is herkenbaar en vertrouwd. In Bal, Dozen en Vazen (1987) verwijzen de vormen bijvoorbeeld expliciet naar Cézanne’s geometrische schema’s; in de rest van het werk schuift de blauwdruk open naar een breder onderzoek van waarneming en contour. Wat verdwijnt, bepaalt mee wat verschijnt. De emulsie laat randen zacht oplossen, schaduwen zweven, vormen verschuiven. Maria verwoordde het ooit zo: ondanks de technologische opstelling wordt het werk gedematerialiseerd. Het wordt deel van een gebeuren – een verloop in de tijd en de bewustwording daarvan. In de geest van Jacques Derrida gaat het om ‘dislocations’: verplaatsingen die zich herhalen. Niet om destructie, wel om kritische verschuivingen.
Kunstcriticus Luk Lambrecht vatte de resulterende poëtica in 2008 kernachtig samen: de beelden ontsnappen aan de werkelijkheid, “de verwondering van de transformaties” stuwt een esthetisch project waarin schoonheid zich verschuilt in een werkwijze die zich de kunstenaar deels ook onttrekt. [Lambrecht, Blauw, blauw, blauw, in: FLACC Jaarboek 2008, Genk: FLACC.]

Maria Blondeel – 15 dozen voor een kwartier van mijn gedachten (1995) – blauwdrukken remaster 2008 Garage Neven Ninove 2024 Í Foto © Rik De Boe
Mens en techniek: een relatie in beweging
Lang voordat algoritmes en artificiële intelligentie ons dagelijks vocabulaire en gedrag binnendrongen, onderzocht Maria al de verhouding tussen mens en technologie. Technologie is bij haar noch doel, noch neutraal middel. Door de nadruk op het efemere van beeld, geluid en tijd, onderstreept haar werk juist wat ons menselijk maakt: de keuze van een invalshoek, het vermogen de blik te verleggen, de erkenning dat de werkelijkheid zich nooit volledig laat fixeren. In die zin is ze ons altijd een stap voor.
Maria zegt geen boodschap te willen vastleggen, maar toevalligheden te willen onderzoeken – het onmerkbare zichtbaar, het hoorbare voelbaar maken. Of, met Bart Verschaffel: kunst hoeft niets te zeggen, maar ze kan niet nergens over gaan. Dat ze banale objecten – barcodes, gebruiksvoorwerpen – aan de willekeur van het blauwdrukprocedé overlaat, zegt iets over de grenzen van onze waarneming én over onze gewoonten, hoe we ons tot de wereld verhouden, en hoe onze plaats daarin altijd voorlopig blijft. Het werk wijst terug naar ons eigen bestaan: broos, vluchtig, menselijk.

Maria Blondeel – Sunny Blues (1993) serie van 160 blauwdrukken – Netwerk Aalst 1993 | Foto courtesy de kunstenaar
Van 27 februari tot en met 22 maart 2026 presenteert Maria Blondeel op uitnodiging van de Stichting Liedts-Meesen in de Zebrastraat (Gent) de tentoonstelling 366 Toevalligheden. Te zien zijn een selectie blauwdrukken (fotogrammen op diazopapier), computergestuurde diaprojecties en artefacten uit haar archief (BLWDRKlank/land). Naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt ook een publicatie over haar werk, 366 Toevalligheden met teksten van onder meer Patrick Auwelaert.



