Sommige kunstenaars bouwen een oeuvre op, andere lijken eerder een wereld te construeren waarin beelden, ideeën, verhalen en disciplines elkaar voortdurend ontmoeten. William Kentridge behoort onmiskenbaar tot die tweede categorie. Tekenen vormt nog altijd het vertrekpunt van zijn praktijk, maar van daaruit waaieren zijn beelden uit naar animatiefilm, sculptuur, grafiek, installatie, theater en opera. Soms lijkt het alsof elk medium voor hem slechts tijdelijk is, een tussenstation op weg naar een volgende vorm.
Met I am not me, the horse is not mine brengt Bozar een uitgebreid overzicht van het werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar, van het begin van de jaren tachtig tot vandaag. Daarbij gaat bijzondere aandacht naar zijn grote theater- en operaproducties en naar het sterk performatieve en collectieve karakter van zijn werk. Kentridge is bovendien Grand Invité van Bozar voor het seizoen 2026-2027 en zal samen met The Centre for the Less Good Idea doorheen het seizoen nog verschillende projecten presenteren.
Brussel is voor hem vertrouwd terrein. Al in 1995 ging hier Faustus in Africa! in première en in 1998 organiseerde Bozar zijn eerste Europese solotentoonstelling. In een gesprek met curator Tarek Abou El Fetouh blikt Kentridge terug op die lange relatie met de stad. Ze begon voor hem op twee heel verschillende manieren: via zijn studie van de Belgische koloniale geschiedenis in Congo, maar ook via mensen als Frie Leysen, die zijn werk naar Brussel haalden. Uit die contacten ontstonden bovendien samenwerkingen die tientallen jaren zouden standhouden.
Het atelier als ontmoetingsplaats

William Kentridge, Installation view: Oh to Believe in Another World (Five Figures for Mayakovsky), 2022, Goodman Gallery London © Goodman Gallery London
Een van de opvallendste thema’s uit het gesprek is de manier waarop Kentridge zijn atelier beschrijft. Ooit was het eenvoudigweg de plek waar hij tekende. Door tekeningen telkens te veranderen, uit te wissen en opnieuw te tekenen ontstonden zijn bekende animatiefilms. Daarna kwamen de samenwerkingen met onder meer de Handspring Puppet Company, en kreeg het beeld plots diepte, beweging en tijd.
Vandaag functioneren repetities, montage, decorbouw, ontwerp en tekenen grotendeels binnen dezelfde ruimte. Alleen het tekenen zelf blijft voor Kentridge een solitaire bezigheid. Al het andere wordt in sterke mate samen gemaakt. Dat gaat verder dan praktische samenwerking: medewerkers worden volgens hem mee auteur van een project.
Zelfs iets ogenschijnlijk eenvoudigs als samen eten hoort daarbij. Iedereen die die dag in het atelier werkt, schuift mee aan tafel.
Die collectieve manier van werken wortelt gedeeltelijk in zijn ervaringen tijdens de apartheid. Theater was in het Zuid-Afrika van de jaren tachtig een van de weinige plaatsen waar ideeën en ervaringen openlijk konden worden gedeeld. In workshoptheater konden mensen met erg verschillende achtergronden samen iets creëren. Kentridge noemt het een tijdelijke vorm van gelijkheid, haast een voorlopige utopie. Die ervaring bepaalt zijn manier van werken tot vandaag.
Productief uitstel
Ook zijn opmerkingen over tijd geven een verrassend inzicht in zijn praktijk. Voor Kentridge begint tekenen vaak met rondlopen, nadenken en uitstellen. Wat hij vroeger als procrastinatie beschouwde, noemt hij nu liever productieve procrastinatie: een noodzakelijke periode waarin gedachten zich verzamelen voordat het werk werkelijk begint.
Bij animatie wordt die tijd vervolgens bijna tastbaar. Een gebaar van twee seconden kan uit vijftig afzonderlijke beelden bestaan en dagen werk vragen, om daarna opnieuw tot enkele seconden te worden samengedrukt. Tijd rekt uit en krimpt weer in.
Dat zoeken blijft ook bij zijn grotere projecten essentieel. Kentridge vertrekt zelden vanuit een volledig uitgewerkt concept. Een opera of theaterproductie groeit uit beelden, muziek, teksten, improvisatie en beweging. Tijdens dat proces verschijnen geregeld dingen die de makers vooraf zelf niet hadden kunnen bedenken. Het kunstwerk wordt zo ook een instrument om te ontdekken wat men nog niet weet.
De logica van het absurde

©WIlliam Kentridge, Collpasing Chair, 2022
Misschien het meest prikkelende moment uit het interview komt wanneer Kentridge het over het absurde heeft. Zijn fascinatie daarvoor loopt van Alfred Jarry en Ubu Roi tot Gogols De neus, Kafka en Dada.
Voor Kentridge is absurditeit veel meer dan humor of vervreemding. Ze kan zelfs een vorm van realisme zijn. Wanneer de wereld zelf irrationeel functioneert, kan een strikt rationele beschrijving de werkelijkheid juist vervormen. Apartheid vormt daarvan voor hem een duidelijk voorbeeld: een systeem dat tot in de kleinste details georganiseerd was en tegelijk op een fundamenteel absurde logica steunde.
Het absurde volgt die gebrekkige logica tot het uiterste en maakt zo haar tegenstrijdigheden zichtbaar.
Die gedachte loopt als een onderstroom door veel van Kentridges werk. Ook in To Cross One More Sea, waarin historische figuren uit verschillende tijden en werkelijkheden naast elkaar verschijnen, weigert hij de geschiedenis tot één sluitend verhaal te herleiden. Aimé Césaire, Frantz Fanon, Joséphine de Beauharnais, Josephine Baker en Trotski kunnen er samen opduiken binnen één netwerk van associaties rond kolonialisme, migratie, ras en klasse.
Misschien ligt precies daarin de kracht van Kentridges werk. Hij probeert de chaos van de geschiedenis niet glad te strijken. Hij laat tegenstrijdigheden naast elkaar bestaan en gebruikt tekeningen, theater, toeval en absurditeit om er nieuwe verbanden tussen te leggen.
Wie verder wil ontdekken hoe Kentridge zelf over zijn werk, Brussel, samenwerking, geschiedenis en het absurde denkt, kan het volledige interview met curator Tarek Abou El Fetouh lezen op de website van Bozar.
De expo William Kentridge loopt van 18 september tot 5 maart 2026 in Bozar, Brussel. Klik hier voor alle info!
Er zijn talrijke filmpjes op Youtube van en over WIlliam Kentridge, maar gezien we bijzonder gefascineerd zijn door hoe kunstenaars naar andere kunstenaars kijken, raden we nog het meest dit filmpje aan, waarin WIlliam het werk Death (Tod) van Max Beckmann bespreekt:
- Marc Chagall – wanneer verbeelding materie wordt - oktober 8, 2026
- Tapta en Donald Judd, een visuele ontmoeting in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten - september 29, 2026
- De ‘cosmic dance’ van Henk Visch: waar het niet-weten begint - september 18, 2026



