Henri Rousseau, de ambitie van de verf

Er bestaan hardnekkige misverstanden over het werk van Henri Rousseau, bijgenaamd Le Douanier. Dat hij tijdens zijn leven geen erkenning genoot bijvoorbeeld, hoewel Picasso en André Derain tot zijn bewonderaars behoorden. Of dat hij nooit enig succes kende als kunstenaar. Zijn werken haalden bij leven weliswaar niet de prijzen van Cézanne of Renoir — dat gebeurde pas kort na zijn dood — maar hij koos er niettemin bewust voor om zijn werk bij de octrooidienst, waar kennen we dat van, op te geven om zich volledig aan de kunst te wijden. Zelfs zijn bijnaam, hem gegeven door Alfred Jarry, is alleen daarom al wat onterecht.

Het hardnekkigste misverstand is misschien dat Rousseau niet beter kon dan de spontane naïviteit die uit zijn werk lijkt te spreken. Alsof hij, nog voor de term bestond, de eerste grote vertegenwoordiger van de outsider art was. Maar laten we niet vergeten dat zijn zogenaamde onbeholpenheid ook een keuze was. Op het moment dat hij overwoog om les te gaan volgen, werd hem aangeraden zijn eigen weg te blijven volgen. Achter de schijnbare eenvoud schuilde dan ook een hardnekkige en stoutmoedige ambitie. Precies dat wil de tentoonstelling Henri Rousseau. L’ambition de la peinture in het Musée de l’Orangerie aantonen.

De expo, georganiseerd in samenwerking met de Barnes Foundation in Philadelphia, loopt in Parijs van 25 maart tot 20 juli 2026 en brengt belangrijke werken uit de collecties van beide instellingen samen. Voor het eerst werkt de Orangerie op deze manier samen met de Barnes Foundation, die negen werken van Rousseau uitleent. Die samenwerking is niet toevallig: de kunsthandelaar Paul Guillaume, wiens collectie de kern vormt van het Musée de l’Orangerie, speelde een belangrijke rol in de verspreiding van Rousseaus werk en was ook de tussenpersoon voor Albert Barnes, die achttien schilderijen van Rousseau verwierf.

De tentoonstelling kijkt dus niet alleen naar Rousseau als maker van wonderlijke jungles, vreemde portretten en droomachtige landschappen, maar ook naar zijn plaats in de moderne kunstmarkt. Rousseau was geen naïeve zonderling die toevallig ontdekt werd. Hij zocht zijn plek op de Parijse kunstscène, stuurde werken in naar de Salon des Indépendants, maakte portretten in opdracht, schilderde landschappen voor de verkoop en probeerde zelfs publieke opdrachten te verkrijgen. Hij was, met andere woorden, niet alleen schilder uit noodzaak, maar ook kunstenaar met strategie.

Interessant is dat de tentoonstelling ook de materiële kant van zijn werk onderzoekt. Recente wetenschappelijke analyses van de Barnes Foundation en het Franse onderzoeks- en restauratiecentrum C2RMF werpen nieuw licht op zijn schilderpraktijk. Onderliggende tekeningen, veranderde composities, gebruikte dragers en kleurenpaletten tonen dat Rousseau veel bewuster te werk ging dan het cliché van de “naïeve” schilder doet vermoeden. In de tentoonstelling helpt een digitaal dispositif de bezoeker om dichter bij dat maakproces te komen.

Dat maakt deze expo zo boeiend: ze haalt Rousseau niet uit de betovering, maar uit de miskenning. Zijn werk blijft vreemd, onhandig misschien, maar dan op een manier die meer met durf dan met onkunde te maken heeft. De stijve figuren, de onwaarschijnlijke perspectieven, de planten die eerder uit een droom dan uit een botanisch handboek lijken te komen: ze zijn niet zomaar tekortkomingen, maar onderdelen van een eigen wereldbeeld.

Wie Rousseau alleen kent als de schilder van exotische jungles die hij zelf nooit bezocht, ontdekt hier een kunstenaar die veel ambitieuzer, berekender en moderner was dan zijn bijnaam doet vermoeden. Le Douanier blijkt minder douanier dan grensganger: tussen volkskunst en avant-garde, tussen realiteit en verbeelding, tussen onbeholpenheid en meesterschap.

Author: Frederic De Meyer

Share This Post On

Submit a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op