“Elke dag is een droom.” Op bezoek bij Arne Quinze

De weg waarlangs de woning en het atelier van Arne Quinze – overigens een oude manege – ligt, is omzoomd met zeeën van wilde bloemen en planten, grotendeels inheems. We treffen de kunstenaar te midden van deze plotselinge natuurpracht, een beetje een anomalie tussen de voorts voorbeeldig aangelegde, typisch Vlaamse tuinen in de buurt.

“Ik maak wereldreizen in mijn tuin. Urenlang kan ik een bij observeren. Elke ochtend neem ik buiten mijn ontbijt. De natuur is mijn grootste inspiratiebron.” Ook binnen worden we overvallen door planten en allerlei naturalia. Maar vooral: door ontelbare maquettes, op tafels en op hun kop aan het plafond. Restanten van gerealiseerde projecten en plannen voor een schier oneindige reeks nieuwe projecten. 

“Museumdirecteurs schrikken altijd als ze hier binnenkomen, dat we met zoveel tegelijk bezig zijn. Slechts 5% van onze realisaties gebeuren in België, daarnaast krijgen we aanvragen vanuit de hele wereld. Mijn team selecteert streng, voor de shortlist bij mij terechtkomt: wie is de aanvrager? Over welke ruimte gaat het? Wat is het budget? Etc.

Terwijl ons interview loopt, krijgt Quinze een toezegging voor een project in Caïro. En dat is maar één van de vele die de komende jaren op stapel staat.

Eindelijk wat kleur

Een kunstenaar van wereldformaat dus. Maar hij heeft dit succes niet zomaar in de schoot geworpen gekregen. Op vijftienjarige leeftijd verhuist Arne Quinze met zijn moeder naar Brussel. Vol dromen over de onbekende metropool, die hij in jeugdige visioenen aanzag als een futuristische wereld, die meer weg had van Star Wars dan van de grijze, grauwe omgeving waar hij terechtkwam. Hij besloot de stad te pimpen met zijn eigen kleuren, op zijn eigen manier.

Zijn carrière als grafittist – tegenwoordig de meer fashionable term street artist – zag er het levenslicht. We schrijven jaren tachtig. Graffiti had nog een vies en illegaal geurtje. De maatschappelijke impact van zijn praktijk ervoer hij niettemin, uit de eerste hand: voor de plechtige opening van een nieuw metrostation was hij s’nachts het treinstel dat het zou inhuldigen, volledig gaan bedekken met zijn graffitti. Groot was de verbazing van de aanwezigen bij de inhuldiging, wanneer ze de kleurrijke trein zagen aankomen. Arne zelf zat tussen het volk. Het viel hem meteen op hoe een deel van het publiek de verrassing – eindelijk wat kleur in Brussel!– omarmde, en een ander deel ronduit geschokt reageerde – dit is niet hoe het hoort!

Publieke ruimte

Geen evidentie is het geweest, om zijn soort ‘kunst’ ingang te doen vinden. “Jarenlang vechten, zelf veel investeren, soms elke cent omdraaien om rond te komen, nooit opgeven”, legt de kunstenaar uit. Zonder kunstopleiding heeft hij het gedaan, en met veel tegenkanting vanuit de klassieke kunstwereld. Dat hij bijvoorbeeld een installatie mocht bouwen in het MARTa Museum in Herford, lokte zelfs een petitie uit van Jan Hoet jr. en aanhang. Of dat hem iets doet? “Uiteraard, het is niet fijn om te zien wie dat allemaal ondertekend heeft. Maar stilaan beginnen musea het wel te begrijpen. Dat ze buiten hun begrensde muren moeten treden, de mensen tegemoet. Musea hebben voor mij, naast scholen, een heel belangrijke opvoedingstaak. Kunst in de publieke ruimte is een manier om het volk te bereiken, ook zij die niet meteen een oog voor kunst hebben.”

Dus, plaatst hij The Beautiful Dreamer aan de Porte de Versailles in Parijs, een grote, kleurrijke sculptuur die de verbeelding en de ontmoeting tussen mensen moet stimuleren. Alleen Jeff Koons mocht met zijn tulpenboeket de voorbije jaren ook neerstrijken in de straten van de Franse hoofdstad, een hele eer dus. “Kleur, diversiteit, dat hebben we nodig. Niet meer dat überminimalisme. Mensen verlangen naar meer menselijke steden. Mijn sculpturen zijn een poging om die explosie van kracht en kleur in de natuur na te bootsen – een tegengif voor de grijsheid van onze metropolen.”

Uit de comfortzone

Dat zoiets werkelijk sociale deining veroorzaakt, bewijst het gecontesteerde werk op het Zeeheldenplein in Oostende, Rock Strangers. Een sculpturencluster in vurig roodoranje, een knallender contrast met de omgeving van gedempte zee-tinten kun je nauwelijks bedenken. “Wat gebeurt er,”, zegt Quinze, “als mensen aldus uit hun comfortzone worden gelokt, plots in hun vertrouwde omgeving een compleet vreemd object ontdekken, de veiligheid van hun cocon bedreigd wordt? Zullen ze dit omhelzen of afstoten? Er kwam enorm veel protest, tot en met een rechtszaak toe. Maar voor deze installatie is dit alleen maar goed geweest, het bewijst dat ze absoluut haar plaats verdient, en op deze plek. Er werd communicatie gegenereerd tussen mensen, en nu is het een pleisterplek voor allerlei schoonheid. Zowel verliefde koppeltjes als communicanten komen er foto’s nemen.”

Quinze schopt graag tegen de schenen. Of schudt mensen wakker. Het klimaat is een grote bezorgdheid, die binnensluipt in zijn werk. “Maar het is geen aanklacht”, zegt hij, “ik wil enkel een positieve bijdrage leveren. Stilaan ontstaat een breder draagvlak voor het klimaat en voor meer verdraagzaamheid. Corona was een goeie aanzet om over alles wat bewuster te gaan nadenken. Maar het is een druppel op een hete plaat, er is nog veel werk aan de winkel. Ik zal hiervoor blijven vechten tot mijn laatste minuut op de planeet. Mensen zijn helemaal onthecht van de natuur. Nochtans moet je niet ver reizen om schoonheid te ontdekken. Te beginnen met: je eigen tuin.”


Arne Quinze staat op de 14e plaats op de lijst van meest invloedrijke Belgische hedendaagse kunstenaars.

Author: Annelies & Frederic

Share This Post On

Submit a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op