Ik aarzel meestal om naar tentoonstellingen te gaan die al overdadig in de belangstelling hebben gestaan. Waarom ga ik naar tentoonstellingen? Om verrast te worden, eerst en vooral, maar ook om voor mezelf uit te maken waarom de kunstenaar een bepaald pad heeft gekozen, precies die ene verfstreep naast die andere heeft gelegd of met een duw van de vinger precies op die plek een reliëf in de plaaster heeft achtergelaten, de ‘waaromheid der dingen’, zou ik het als persiflage op Dimitri Verhulst durven stellen. En wanneer te veel mensen voor mij zich dergelijke vragen hebben gesteld, laat staan een al dan niet zelf verzonnen antwoord hebben neergepend, heb ik het gevoel dat mijn gedachten, of tenminste mijn zoektocht, werden gekaapt, dat ik op een onoverkomelijke wijze reeds voorgekauwde gedachten aan het herkauwen ben.
Het weerhoudt me niet te gaan, uiteraard, daarvoor is mijn nieuwsgierigheid te ontembaar, maar het dwingt me tot een heel specifieke gemoedstoestand tijdens mijn bezoek, een verplichting haast om te zien wat nog niemand zag, zelfs de kunstenaar niet. Een ijdele betrachting, weet ik wel. Maar ook hier, net als overal, telt niet enkel het resultaat.
Ik wist dus op voorhand dat ik me aan een speurtocht kon verwachten — de titel verraadt het al, een spoiler van jewelste. Speurder, het is precies de houding die ik zelf aanneem wanneer ik een expo bezoek, het zou dus van meet af aan een speurtocht binnen een speurtocht worden, een beetje een inherente tautologie, ik zou vermoedelijk in een ouroboros metamorfoseren! De verwachting maakte het mij niet makkelijker, integendeel, noch om me deftig voor te bereiden op mijn bezoek, noch in mijn eerste gedachtengangen op het parcours, dat me van bij de eerste stappen in de war bracht. Algauw wist ik niet meer precies welke richting uit te kijken, en dus welke houding aan te nemen.
Go with the flow dan maar, zo overtuigde ik mezelf, gewoon genieten van de vreemde combinatie der dingen, de hersenspinsels van Koen die, in een waas van mysterie gehuld, de onderzoekende geest blijven fascineren, als had hij die aan jou overgeleverd via de verf, de geschriften, de foto’s of de archieven die hij als mogelijke pistes achterlaat, evenveel sporen die evenveel doodlopen, al staat ergens geschreven dat juist deze vrijheid, deze ongerijmdheid mogelijk tot een antwoord leidt.
Het voelt wat onwennig om zo te moeten kijken, moet ik bekennen, voor iemand die steevast lijnrecht naar een conclusie snelt. Een moedwillige keuze van de kunstenaar, zo lees je in een begeleidende tekst bij een reeks portretten van professoren van het Groot Seminarie van Luik: “Zij hangen hier weer samen, hoog en droog, als onbewogen toeschouwers van al de ingewikkelde en verwarrende verhalen die in deze tentoonstelling met elkaar verstrengeld zijn geraakt.” Een bekentenis, niet de enige in dit verhaal, zij het niet steeds van de kunstenaar.
Loslaten, vertelde ik mezelf. Ik wist bij voorbaat dat er op het einde een soort van verlossing werd beloofd, een oplossing, zo dacht ik, een bevrijding in zekere zin ook, uit de onrust die de onzekerheid, die de talrijke denksnippers op het parcours mij inlepelden. Maar het bleek onmogelijk om los te laten, zo anticiperend op de ontknoping, het einde — niet dat ik daarom wou dat de expo eindigde, begrijp me niet verkeerd.
De afmeting is het eerste dat opvalt, nagenoeg gigantisch, het oorspronkelijke werk haast evenarend waarvan het de naam stal — goede kunstenaars kopiëren, de beste stelen, zei Picasso toch? Ook het directe geweld ontbreekt in beide werken, geen bloedspatters of uitgereten lichaamsdelen, enkel het inherente leed, de verhulde wanhoop, een gevoel van zinloosheid in of achter de verf, zeker, maar voor de rest geen overlap, een al bij al rustig landschap, een processie van treurenden met lijken in de armen — denk ik toch — en spaarzame achterblijfsels van de lange zoektocht van de detective, spaars over het doek gestrooid, die zich in dit tafereel een betekenis trachten aan te meten. Ruige, grove hoofden vergezellen het kijken in een golfbeweging, al kan je onderweg even halt houden bij de zon die door de donkere wolken breekt en de mysterieuze strepen rechts boven de stad, om dan terug te komen op de details die het op haar tocht — de blik, als je nog kan volgen — achterliet, evenveel sporen uit de zoektocht van de detective, schijnbaar achteloos over het tafereel gestrooid.
Geen ontknoping, geen oplossing, geen antwoord. Desondanks geen ontgoocheling, lang niet. Je blikt terug op de gemeenschappelijke tocht, de verkende pistes — de doodlopende net als de vooralsnog onontgonnen — op zoek naar wat, dat weet je al lang niet meer, ik toch niet, ik wist zelfs niet meer of het ertoe deed om iets te vinden. Misschien is dat net wat zo blijft nazinderen, de herinnering aan de tocht, ook al werd geen exact doel bereikt, het gevoel van iets gevonden te hebben, iets dat je niet kan benoemen of duiden, maar daarom misschien des te levendiger aanwezig blijft.








©TheArtCouch
Koen Broucke ‘De kunstenaar die detective wilde zijn’ loopt nog tot 27 september 2026 in de Sint-Pietersabdij in Gent.



