Biografieën om te lezen deze zomer (#6): Wildeman, Het leven van Paul Gauguin

Wie bij de naam Paul Gauguin spontaan aan exotische landschappen en schaars geklede schoonheden denkt, doet er goed aan deze biografie te lezen. ‘De waarheid is zelden zuiver en nooit eenvoudig’, schreef Oscar Wilde ergens, en dat geldt des te meer voor het leven van Gauguin, waarvan de levensloop bijzonder wispelturig is, al vertoont die tegelijk ook iets rechtlijnigs.

De complexiteit zit al in de genen ingebakken, lezen we op de eerste pagina’s van deze biografie. Zijn grootmoeder was een van de eerste voorvechters tegen de uitbuiting en verloedering van de lagere sociale klassen, wat haar geregeld in de problemen bracht. Met zijn moeder Aline trok hij als kind naar verre aanverwanten — en familie van paus Alexander VI, Rodrigo Borgia — in Peru, waar ze in paleizen woonden en Paul een brede, naar verhouding behoorlijk liberale opleiding genoot. Het zou eenieder verwaand gemaakt hebben, maar niet hem. Uit deze periode bleef hij zich zijn hele leven een ‘Peruviaanse wilde’ noemen, maar meer nog maakte hij zich de symboliek en de mythologische helden van de Moche eigen, die voor hem symbool stonden voor de anarchie van het noodlot.

Ondanks het luxeleventje in Peru besliste zijn moeder om met Paul terug te keren naar Frankrijk. Van daaruit lijkt het snel te gaan in het nog prille leven van Gauguin. Van zijn eerste reizen als loodsleerling op de driemaster Luzitano, over zijn eerste contact met kunst dankzij een collega toen hij als behoorlijk succesvol beursmakelaar werkte, wat hem ertoe aanzette om zelf kunst te gaan maken, tot zijn huwelijk met de Deense Mette, met wie hij vijf geliefde kinderen kreeg en die hij naar Denemarken volgde, waar zijn schoonfamilie op hem neerkeek, en zijn terugkeer naar Frankrijk, waar hij in Pont-Aven onbedoeld een schare leerlingen aantrok: het had al een heel leven kunnen zijn, terwijl het zijne nog moest beginnen. Sue Prideaux slaagt erin dit in een luttele honderd pagina’s met finesse en met oog voor zowel de psychologische als de artistieke ontwikkeling over te brengen.

We zitten aan pagina 133 wanneer ze bij het ‘eerste’ grote keerpunt komt — alles is relatief: zijn ontmoeting met de broers Van Gogh. Terwijl Theo enkele schilderijen van Gauguin verkocht in zijn galerie, raakte deze verknocht aan Vincent, die hem in zijn obsessie met het ‘Atelier van het Zuiden’ overtuigde om hem te vergezellen naar Arles. De onstuimige relatie tussen de twee werd al overvloedig besproken, maar ook hier weet Sue de relevante elementen eruit te puren om tot de essentie van hun vriendschap en de wederzijdse beïnvloeding — en verschillen — in hun praktijk te komen, zoals in haar knappe analyse van onderwerpen die ze gelijktijdig aanpakten, zoals de stoel of het café. De bekende dramatische afloop van de relatie leidt bij Prideaux alvast tot een genuanceerde en fijngevoelige conclusie.

We zijn nog maar halfweg het boek en al driekwart door het leven van Gauguin. Zijn artistieke ontwikkeling heeft sinds zijn beginjaren in Bretagne al een duidelijke wending gekregen, gedreven door de woorden van Baudelaire in Le peintre de la vie moderne: “de waarneembare wereld is een voorraadschuur van dingen die erop wachten om dankzij de verbeelding betekenis te krijgen en omgezet te worden in verhalen en kunstwerken.” Gauguin was niet de man van dogma’s en academische keurslijven. Ook al hinderde die starheid hem in de financiële onafhankelijkheid waarnaar hij zijn leven lang zou hunkeren, zijn artistieke autonomie en vrije wil leken onaantastbaar.

Zijn drang naar het exotische groeide, en wat eerst een verhuis naar Madagascar moest worden, eindigde uiteindelijk in een tocht naar de Franse kolonie Haïti. De half verzonnen verhalen van de schrijver Bougainville over de ongerepte en zuivere levensstijl op de eilanden vielen in werkelijkheid ferm tegen. De Franse kolonie ging gebukt onder een starre administratie en een met harde hand opgelegde katholieke en protestantse moraal. Gauguin zou er de rest van zijn leven mee aan de stok hebben. Samen met een verzwakkende gezondheid en constante geldzorgen maakte dat van wat oorspronkelijk een idyllische bestemming had moeten zijn een lang uitgesponnen, dagelijkse strijd, die onder meer werd verbeeld in het zelfportret uit 1896 waarin hij zich afbeeldt als een lijdende Christusfiguur, “een gewone man van middelbare leeftijd met een Inca-neus”.

Tijdens deze laatste jaren maakte hij zijn interessantste, of alleszins zijn meest iconische werk, dat echter nog steeds onderhevig was aan een fundamentele evolutie, zo wijst Prideaux ons erop. In een van de portretten die hij van zijn tweede Haïtiaanse vrouw Tohotaua maakte, laat Gauguin zien hoe zijn blik in de loop der jaren is veranderd. In het portret zijn geen details meer, geen veelvoud aan symbolische verwijzingen: het model is een mens geworden, niet langer een concept.

Hij trok uiteindelijk naar een nog verder afgelegen eiland, waar hij, zo merk je uit zijn woorden, ‘nog nooit zo gelukkig is geweest’, een geluk dat zich vanaf 1902 vertaalt in schilderijen die aan de lopende band lof betuigen aan sierlijkheid en harmonie. Zijn activistisch bloed kolkte niettemin nog steeds, en hij nam het geregeld op voor de lokale bevolking tegen de koloniale en religieuze macht, soms met succes, maar evengoed met mislukkingen die hem nog dieper in de miserie brachten. Dat laatste mag je bij een man als Gauguin niet negatief opvatten. Ergens in zijn laatste levensjaar schreef hij: “Ik denk dat het leven geen betekenis heeft als je het niet leeft zonder iets na te streven, of dat in elk geval te proberen.” Het is een wijsheid waarnaar Gauguin vanaf zijn prille bestaan consequent heeft geleefd, dermate dat hij er de belichaming van genoemd kan worden.

Het is een prestatie om zo’n leven, rijk aan gebeurtenissen en plotwendingen, vlot en toegankelijk in 400 pagina’s over te brengen. Sue Prideaux slaagt daar schijnbaar moeiteloos in, en laat ons een onuitwisbare indruk na van Gauguin de kunstenaar, maar bovenal van Gauguin de mens.


Wildeman: Het leven van Paul Gauguin

Sue Prideaux

De Arbeiderspers, 2025, 448 pagina’s

ISBN: 9789029544009


Author: Frederic De Meyer

Share This Post On

Submit a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op