Lieven Lefere – de iconografie van het onzichtbare

Wat betekent het om “als een fotograaf te zien, en te denken”? Is het een kwestie van perspectief, of van het achterhalen van een zekere waarheid die schuilgaat achter wat ons oog registreert? Wat wij zien is slechts een fractie van de buitenwereld, bovendien vertekend door de interpretaties die onze hersenen eraan toevoegen. Kan een autonoom apparaat als de camera dan objectiever zijn in het vastleggen van de werkelijkheid, die wij vervolgens op een andere, neutralere manier te zien krijgen? Uiteindelijk blijft ook de foto een interpretatie – maar wel één die details en nuances kan onthullen die onze blik zelf vaak ontgaan.

Het zijn lastige vragen, maar essentieel voor ons begrip van de wereld, en voor de manier waarop wij er ons toe verhouden. Ze vormen tegelijk het hart van het werk van Lieven Lefere, die met zijn beelden onderzoekt wat kijken betekent en hoe de werkelijkheid zich steeds aan ons onttrekt.

Wij zien uiteindelijk vooral wat we wíllen zien. We “kneden het beeld” dat tot onze hersenen doordringt, maar het gebruik van een toestel dat de werkelijkheid buiten ons registreert, verruimt ons perspectief en dwingt ons onze blik te herzien. Het confronteert ons met de gebrekkigheid van ons kijken en verrijkt dit tekort met nieuwe interpretaties. Het is precies dat proces dat Lieven Lefere op talrijke, vaak verrassende manieren onderzoekt.

Perspectief

De vaststelling dat ons oog de werkelijkheid niet zomaar capteert, is niet nieuw; de vraag werd reeds in de Griekse oudheid zorgvuldig uit- en omgespit. Hoe we dit naar een representatie van de werkelijkheid vertalen, kwam er echter verrassend laat, al zeker wat betreft de ruimtelijke representatie van onze omgeving. Toen Brunelleschi met wiskundige modellen het perspectief toepaste in de schilderkunst, was dit een revolutie – niet omdat er nooit eerder met diepte werd geëxperimenteerd, dat gebeurde al in de oudheid, maar omdat de geometrische strengheid van zijn methode de mogelijkheden van kunst als representatie van de werkelijkheid definitief zou veranderen.

Van Eyck was zich in zijn schilderij Madonna met kanunnik Joris van der Paele ongetwijfeld bewust van deze principes, maar toch plaatste hij de pilaren van de ruimte op een onnatuurlijke, bijna onmogelijke manier. Intuïtief begrijp je zijn bedoeling, maar tegelijk voel je dat er iets niet klopt: de twee zuilen vooraan veroorzaken een verstoring, alsof Van Eyck ze dwong zich te plooien naar het beeld dat hij voor zich zag. Was dit een fout, een slordigheid, of juist een bewuste ingreep? “Naar wat kijken we precies?” – een vraag die Lieven voortdurend stelt.

Voor zijn La Raison des Miroirs – een titel die zowel verwijst naar de spiegelwerking die leidde tot de ontdekking van het perspectief als naar de rede en haar tegenspraak – reconstrueerde Lieven het tafereel van Van Eyck op ware schaal. Niet de personages, enkel de ruimte. Deze onpraktische enscenering was essentieel: ze stelde hem in staat te onderzoeken wat er achter het beeld schuilgaat, ook al blijft dat fundamenteel ongrijpbaar. Hij observeert aan de hand van gedetailleerde foto’s hoe het licht de constructie binnendringt, hoe schaduwen verschuiven en details nieuw leven krijgen. Juist via de imperfecties en de granulariteit van de realiteit probeert hij grip te krijgen op wat zich in het beeld verschuilt.

©Lieven Lefere: La Raison des Miroirs_reconstructie | Des ombres et des miroirs VI & VIII | Avec la raison des ombres et miroirs

Archeologie

De kunstenaar probeert meer te zien dan wat er zichtbaar is, in de sporen van Derrida misschien, die wees op de daad van het niet-zien, op de sporen die het onzichtbare achterlaat in wat wél verschijnt, of van Didi-Huberman, die het ontbrekende beeld beschreef als een residu van de verschijning, een spanningsveld tussen aanwezigheid en het voorgoed ongrijpbare.

Opmerkelijk genoeg keren die ideeën terug in archeologisch onderzoek. Om sites uit de bronstijd te lokaliseren, zijn schaduwen in het landschap vaak cruciaal – net zoals schaduw in de constructies zelf een rol speelde: sommige bouwwerken waren zo ontworpen dat tijdens de zonnewende de schaduw op welbepaalde momenten helemaal in de constructie verdween, het samenspel van licht en duister tot een subliem spirituele eenheid verheffend. De keuze voor bepaalde “openingspunten” in het landschap was zelden toevallig: holtes, spleten en concave vormen hadden zowel visuele als symbolische betekenis.

“Wat zien we?” vroeg Lefere zich vermoedelijk af toen hij op uitnodiging van forensisch antropoloog Martin Smith een archeologische site bezocht. De langzaam onthulde structuren – beladen met geheimen – boden hem geen voor de hand liggend beeld. Foto’s van de werkzaamheden of van de blootgelegde resten zouden slechts anekdotisch zijn, te afgerond, te weinig ruimte laten voor het mysterie dat achter de vorm verschuilt. In plaats daarvan koos hij ervoor om de artefacten op de site ’s nachts met artificieel licht te fotograferen. De holtes en de grillige vormen liet hij spelen met licht en schaduw, de blokken blies hij op tot ze het hele kader innamen – om de nadruk te leggen op wat niet te zien is: de ruimte tussen en in de dingen.

Zo maakt Lefere zichtbaar wat de archeoloog zoekt: niet enkel de vormen die opduiken, maar ook de spanning van het onzichtbare dat hen betekenis geeft. Door de vroegste ingrepen van de mens in de natuur te confronteren met moderne interventies, overbrugde hij niet enkel eeuwen geschiedenis, maar legde hij ook ons huidige onvermogen bloot om het mysterie te ervaren dat zich verschuilt in het onzichtbare – het “tussengebied” tussen de dingen, waarin hun werkelijke aard verborgen ligt.

© Lieven Lefere: Rock

Verticaal landschap

Diezelfde logica keert terug in zijn reeks I never promised you a horizon. Een horizon – de strakke, horizontale lijn van zee of land – is voor ons een vanzelfsprekend gegeven. Juist dat maakte het voor Le Corbusier oninteressant en zette hem aan om als contrapunt verticaal te bouwen, als om het gemak van het oog ongelijk te geven. Maar Lieven gaat nog verder in deze reeks: hij benadrukt de verticale natuur, de ‘verticaliteit’ van het landschap zelf.

Onze blik verwacht rust in de horizontale lijn, maar hij draait de zaken om: hij licht slechts een verticale streep van het landschap uit, waardoor het beeld destabiliseert en tegelijk nadruk legt op wat ontbreekt. Hij had dit eenvoudig digitaal kunnen creëren, met wat Photoshoppen een verticale selectie maken uit het landschap, maar deze oplossing zou de afstand vergroten, het zou de kijker noch hemzelf engageren in de daad van het zien. Daarom bouwde hij een fysieke constructie, een raamwerk in het landschap, om van daaruit door een smalle spleet te fotograferen.

Die constructie fungeert als “ruimte in de ruimte”: een kunstmatig kader dat ons herinnert aan het artificiële karakter van het kijken zelf. Terwijl ons brein automatisch de leemtes invult, worden we door dit kader steeds teruggefloten. Wat zien we door de spleet? Een nieuw landschap? Een onbekend fenomeen zonder naam? Heeft Lefere iets nieuws geschapen uit het bestaande, of het bestaande heruitgevonden door er iets omheen te bouwen? Zijn werk begeleidt ons naar een andere manier van kijken – niet om de wereld vollediger te begrijpen, maar om ons bewust te maken van wat er altijd buiten beeld blijft.

(atelierbeelden ©TheArtCouch)

Kijken en zien

Het is geen eenvoudig werk. De betekenis – voor zover het een betekenis heeft; een werk hoeft niets te betekenen, maar het kan niet niets zeggen, zou Bart Verschaffel stellen – ligt niet zomaar voor het grijpen. Niettemin is er niets zo natuurlijk, zo menselijk, als de vraag die Lieven zich stelt, en die hij via zijn kunst ons uitnodigt ook voor onszelf te stellen: wat zien we? Alleszins niet wat ‘er is’.

Maar wat is er precies, wanneer iets evengoed bepaald wordt door de ruimte tussen de materiële verschijning? Wanneer schaduw en lichtinval evenzeer onze grip op wat we zien beïnvloeden, wanneer onze eigen gemoedstoestand en ons “onvervuld verlangen” vorm geven aan wat verschijnt, wanneer de objecten in ons waarnemingsveld beginnen te rafelen zodra ze onderworpen worden aan een zorgvuldig kijkproces? Is het ‘zien’ in zekere zin niets anders dan het bewust ervaren van te zien? Het lijken semantische, misschien wezenloze vragen. Toch zijn ze bepalend voor ons zelfbewustzijn – misschien het enige waarvan we zeker kunnen zijn.

Het kijken is een proces dat Lieven in zijn verschillende installaties ontleedt. Door aandacht te schenken aan de representatie van het geheel en tegelijk minutieus de uithoeken te onderzoeken, in al hun schakeringen en verschijningsvormen, richt hij onze blik niet zozeer op wat we te zien krijgen, maar op wat zich erachter kan afspelen. Op datgene wat zich schuilhoudt achter de materiële schermen, wat we in principe niet kunnen zien, wat altijd ongrijpbaar blijft. “Mais on ne se bat pas dans l’espoir d’un succès ! Non ! non, c’est bien plus beau lorsque c’est inutile !”, schreeuwde Cyrano de Bergerac. De esthetiek van het leven ligt misschien in een bij voorbaat verloren strijd.

In dat licht raakt de ‘iconografie van het afwezige’ bij Lieven onze emoties – rauw en onschuldig – en laat ze ons achter met een gevoel dat even ongrijpbaar is als het beeld zelf: een open ruimte die zich nooit laat sluiten.


Werk van Lieven is onder meer te zien op de expo ‘Steen in de diepte van de tijd’ in De Egelantier, groepstentoonstelling met Isabel Devos, Johan Parmentier en Lieven Lefere; van 20 september tot 2 november. Van 12 september tot 6 december in de expo ‘Pastorale’ in het kasteelhof d’intere, Wechelderzande, georganiseerd door Bruno Devos in samenwerking met Spazio Nour.


© Jacques Masy

Author: Frederic De Meyer

Share This Post On

Submit a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel op